Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-10-09
ECLI:NL:GHAMS:2025:3774
Strafrecht
Hoger beroep
3,114 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2025:3774 text/xml public 2026-03-06T10:50:07 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-10-09 23-003006-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3774 text/html public 2026-03-06T10:45:53 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3774 Gerechtshof Amsterdam , 09-10-2025 / 23-003006-23 Vernietiging van het vonnis. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige ex-vriendin. De omstandigheid dat het slachtoffer zelf mogelijk ook een aandeel had in de ruzies rechtvaardigt het handelen van de verdachte op geen enkele wijze. Voorwaardelijke taakstraf van 80 uren. afdeling strafrecht parketnummer: 23-003006-23 datum uitspraak: 9 oktober 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 november 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-080350-23 (hierna: zaak A) en 13-032209-23 (hierna: zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak A met parketnummer 13-080350-23 onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is tenlastegelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, dat: Zaak A 1. hij op of omstreeks 31 oktober 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, mevr. [slachtoffer] (ex-partner) heeft mishandeld door - ( met de vuist) in het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [slachtoffer] te slaan en/of - in haar lip(pen) en/of wang(en), althans in het gezicht, van die [slachtoffer] te knijpen en/of - die [slachtoffer] (met kracht) te duwen waardoor zij ten val kwam; Zaak B 1. hij op of omstreeks 31 januari 2023 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door deze - bij de nek/keel vast te pakken en/of - te slaan tegen de lip, althans in het gezicht en/of - te duwen; 2. hij op of omstreeks 31 januari 2023 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk - een of meer muren en/of een tv-meubel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring in beide zaken. De raadsvrouw heeft ten aanzien van zaak A, feit 1, vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. Daartoe heeft zij aangevoerd dat er een ruzie tussen de aangeefster en de verdachte was ontstaan en dat de aangeefster de verdachte aanvloog. De verdachte wilde de aangeefster tegenhouden, heeft haar vastgepakt en per ongeluk een klap gegeven tijdens de worsteling die vervolgens ontstond. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het geven van een vuistslag. De raadsvrouw heeft ten aanzien van zaak B, feit 1, ook vrijspraak bepleit. Er was wederom een ruzie ontstaan waarbij de aangeefster op enig moment op de verdachte afkwam en hij haar van hem heeft afgeduwd. Tot slot heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van zaak B, feit 2, gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof overweegt als volgt. Gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting acht hof het verweer van de verdediging – dat de verdachte tot twee keer toe de aangeefster probeerde tegen te houden waarbij er per ongeluk letsel is ontstaan – niet aannemelijk. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaringen van aangeefster bij de politie en bij de raadsheer-commissaris. Haar verklaringen worden ondersteund door het bij haar geconstateerde letsel. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster op 31 oktober 2022 en 31 januari 2022 heeft mishandeld. Partiele vrijspraak in zaak A, feit 1, met de vuist slaan Bij de raadsheer-commissaris heeft de aangeefster verklaard dat zij een harde klap kreeg, maar niet weet of zij met een platte hand of gebalde vuist is geslagen. Het hof zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van “met de vuist”. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 1 en in de zaak met B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A : 1. hij op 31 oktober 2022 te Amsterdam, mevr. [slachtoffer] (ex-partner) heeft mishandeld door - in het gezicht van die [slachtoffer] te slaan en - in de wangen van die [slachtoffer] te knijpen en - die [slachtoffer] met kracht te duwen waardoor zij ten val kwam. Zaak B : 1. hij op 31 januari 2023 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door deze - bij de keel vast te pakken en - te slaan tegen de lip en - te duwen; 2. hij op 31 januari 2023 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een muur en een tv-meubel die geheel of ten dele aan [slachtoffer] toebehoorden heeft beschadigd. Hetgeen in de zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert op: telkens: mishandeling. Het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, opgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsvrouw heeft het hof verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen gelet op de vrijspraakverweren in zaak A, feit 1, en zaak B, feit 1.
Volledig
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en het tijdsverloop. De verdachte en het slachtoffer hebben weer een relatie en hebben sinds kort een baby samen. Er is sinds 31 januari 2023 geen geweld meer gepleegd en de verdachte wil dit soort situaties blijven vermijden. Hij heeft een baan en doet daarnaast vrijwilligerswerk. Een onvoorwaardelijke taakstraf is daarom niet passend. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige ex-vriendin. De verdachte heeft door zijn handelen letsel en pijn toegebracht bij het slachtoffer en daarmee een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De mishandelingen vonden plaats in de beslotenheid van de woning van het slachtoffer, wat bij uitstek een plaats is waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. De omstandigheid dat het slachtoffer zelf mogelijk ook een aandeel had in de ruzies rechtvaardigt het handelen van de verdachte op geen enkele wijze. Daarnaast heeft de verdachte de muur en het tv-meubel van het slachtoffer beschadigd. Gelet op de ernst van de feiten acht het hof een onvoorwaardelijke taakstraf in beginsel een passende straf. Het hof heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken, en houdt daar rekening mee bij de strafoplegging. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte duidelijk gemaakt dat hij inzicht heeft in de kwalijke ernst van zijn handelen, dat zijn relatie met het slachtoffer op dit moment stabiel is en dat zij samen een pasgeboren baby hebben. Het hof weegt mee dat het slachtoffer bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat het goed gaat tussen haar en de verdachte en dat er sinds het laatste feit geen fysieke ruzies meer zijn geweest. Het hof houdt bij de strafoplegging ook rekening met het feit dat de verdachte voorafgaand aan de feiten niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld, en met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-080350-23 onder 2 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-080350-23 onder 1 en in de zaak met parketnummer 13-032209-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-080350-23 onder 1 en in de zaak met parketnummer 13-032209-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis . Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. R.A.E. van Noort en mr. G.J.K. Elsen, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 oktober 2025. mrs. G.J.K. Elsen en M.S. Fritsche zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
=== […]