Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2025-05-12
ECLI:NL:GHAMS:2025:3766
arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.353.918/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/766895 /KG ZA 25-230 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2025 inzake [appellant] , gevestigd te [plaats] , appellante, tevens incidenteel gei·ntimeerde, advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam, tegen NEDERLANDS ISRAELITISCHE HOOFD SYNAGOGE AMSTERDAM, gevestigd te Amstelveen, gei"ntimeerde, tevens incidenteel appellante, advocaat: mr. A.T. Eisenmann te Amsterdam. Partijen warden hierna [appellant] en NIHS genoemd. 1 De zaak in bet kort Partijen hebben een Admissieovereenkomst gesloten uit hoofde waarvan NIHS aan [appellant] verlof heeft verleend tot het voeren van het predicaat ORT ('Onder Rabbinaal Toezicht') voor het door haar geexploiteerde kosher cateringbedrijf. Dit predicaat, ook wel aangeduid als 'het Hechser' is door het Rabbinaat dat toezicht houdt op de naleving van de kosher spijswetten ingetrokken en NIHS heeft de Admissieovereenkomst opgezegd. De vorderingen van [appellant] strekken tot voortzetting van de Admissieovereenkomst, betaling van een voorschot op schadevergoeding alsmede intrekking en rectificatie van de mededelingen over beeindiging van de Admissieovereenkomst. De vorderingen van NIHS strekken tot betaling van achterstallige retributie die [appellant] op grond van de Admissieovereenkomst diende te voldoen en teruggave van de rabbinale zegels, stickers, certificaten en hologrammen die [appellant] gebruikte bij de uitvoering van de Admissieovereenkomst. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en de vorderingen van NIHS toegewezen, zij het tot een lager retributiebedrag. [appellant] is het niet eens met het vonnis van de voorzieningenrechter en NIHS wenst dat het volledige door haar gevorderde retributiebedrag wordt toegewezen. Het hof bekrachtigt de afwijzing van de vorderingen van [appellant] en de toewijzing van teruggavevordering van NIHS en oordeelt dat [appellant] het volledige door NIHS gevorderde retributiebedrag dient te voldoen. 2 Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding tevens memorie van grieven met producties van 28 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van IO april 2025, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en NIHS als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie. NIHS heeft daarna een memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties ingediend. Partijen hebben hun zaak bij monde van hun advocaten aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen toegelicht tijdens de mondelinge behandeling van 9 mei 2025. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [appellant] nog een productie overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vemietigen, - uitvoerbaar bij voorraad - haar vorderingen alsnog zal toewijzen en de vorderingen van NIHS alsnog geheel zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten. NIHS heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis bekrachtigt voor zover daarbij de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen en, zo begrijpt het hof, haar vorderingen zijn toegewezen. NIHS heeft voorts geconcludeerd dat in het arrest zal worden opgenomen dat het Rabbinaat het recht had/gerechtigd was om het Hechser in te trekken en tot veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [appellant] tot betaling van € 650 met rente vanaf 16 april 2025, een en ander met beslissing over de proceskosten. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 12 mei 2025 de beslissing gegeven in de vorm van een kopstaartarrest. Het hierna volgende bevat de uitwerking daarvan en is afgegeven op 14 mei 2025 3 Feiten Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. 3.1. Vos exploiteert een kosher cateringbed De NIHS kan niet aansprakelijk warden gesteld voor eventuele schade die [appellant] B.V lijdt bij beeindiging van deze overeenkomst. " 3.3. Het Kasjroetprotocol dat onderdeel is van de Admissieovereenkomst (artikel 4 lid 2 Admissieovereenkomst en artikel I van het Kasjroetprotocol) regelt - kort gezegd -de instructies en het toezicht van het Rabbinaat met betrekking tot de bereiding van koshere voedingsmiddelen door [appellant] . 3.4. Op 3 januari 2025 hebben partijen een betalingsafspraak gemaakt voor de achterstand in de retributiebetalingen van [appellant] . Het Hechser van [appellant] is verlengd tot en met 11 april 2025. 3.5. Op vrijdag 21 maart 2025 heeft een woordenwisseling plaatsgevonden tussen een bestuurder van [appellant] en haar sjoumer, die zich daarop ziek heeft gemeld. 3.6. Op 24 maart 2025 heeft het Rabbinaat het Hechser van [appellant] per direct ingetrokken en het bestuur van NIHS daarover ge'informeerd. Daaropvolgend en eveneens op 24 maart 2025 heeft NIHS de Admissieovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd vanwege overtreding door [appellant] van de artikelen 8 lid 4, 8 lid 6 en 9 lid I onder a en b van de Admissieovereenkomst. NIHS wijst onder meer op een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen het Rabbinaat en NIHS enerzijds en [appellant] anderzijds en een achterstand in retributiebetalingen door [appellant] . De intrekking van het Hechser is bekendgemaakt op de website van de NIHS. 3.7. [appellant] heeft op 27 maart 2025 NIHS gesommeerd tot hervatting van de Admissieovereenkomst en rectificatie van alle publicaties en aankondigingen aan derden. 4 Beoordeling 4.1. De vorderingen van [appellant] strekken ertoe dat NIHS op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld om (A) de Admissieovereenkomst voort te zetten in de zin dat zij aan [appellant] verklaart dat de ondememing nog altijd onder toezicht staat van het Rabbinaat van NIHS en alle noodzakelijke Kasjroet gerelateerde assistentie aan [appellant] verleent om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten, (B) een voorschot op schadevergoeding te betalen van € 50.000 en (C) de gepubliceerde berichtgeving rondom intrekking van het Hechser van [appellant] te verwijderen en verwijderd te houden en te vervangen door een rectificatie. 4.2. De vorderingen van NIHS strekken ertoe dat AKS (I) zal worden veroordeeld tot betaling van€ 2.834,- met rente en (II) op straffe van een dwangsom zal worden bevolen om de rabbinate zegels, stickers, certificaten en hologrammen bij het Rabbinaat (althans bij de NIHS) in te leveren. 4.3. In het bestreden vonnis zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen, is vordering (I) van NIHS toegewezen tot een bedrag van€ 2.184,- met rente en is vordering (II) van NIHS toegewezen. 4.4. [appellant] komt met haar grief op tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. NIHS bestrijdt de gedeeltelijke afwijzing van vordering (I). 4.5. De bezwaren van NIHS tegen de producties 3 tot en met 8 bij de memorie van grieven en de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [appellant] toegezonden productie treffen geen doe!. Het moment van indiening en de aard en inhoud van de producties zijn niet strijdig met de goede procesorde, waarbij van belang is dat voornoemde producties bij de memorie van grieven, anders dan NIHS stelt, geen (confraternele) stukken zijn die alleen na verkregen toestemming in het geding kunnen worden gebracht. 4.6. Anders dan [appellant] betoogt is het, in deze turbospoed kortgedingprocedure opgeworpen incidenteel hoger beroep van NIHS niet in strijd met de goede procesorde. Er is voorts voldoende gelegenheid geweest voor [appellant] om daarop te reageren tijdens de mondelinge behandeling. 4.7. Uit de grief van [appellant] volgt dat zij van mening is dat de Admissieovereenkomst ten onrechte is beeindigd of opgezegd. Zij legt dit standpunt ten grondslag aan alle door haar gevraagde voorzieningen. In haar grief ligt voorts besloten dat [appellant] het niet eens is met de toewijzing van de door N Met betrekking tot de onder B gevraagde voorziening wijst NIHS op de contractuele uitsluiting van schadevergoeding in de Admissieovereenkomst. Gelet hierop en hetgeen hiervoor is overwogen over de beeindiging van de Admissieovereenkomst, is het bestaan van de door [appellant] gestelde schadevordering onvoldoende aannemelijk. 4.11. Niet in geschil is dat de beeindiging van de Admissieovereenkomst [appellant] hard treft. [appellant] stelt dat zij zonder het Hechser, met de intrekking waarvan de Admissieovereenkomst is beeindigd, geen bestaansrecht heeft als koshere cateraar. Deze onmiskenbaar verstrekkende (financiele) gevolgen voor [appellant] van de beeindiging van de Admissieovereenkomst die op grond van artikel 9 lid 3 van rechtswege plaatsvindt, leiden echter in de gegeven omstandigheden niet ertoe dat de beeindiging van deze overeenkomst op grond van deze bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze beeindigingsregeling strekt ertoe zeker te stellen dat alleen met het daarvoor benodigde Hechser koshere voedingsmiddelen worden geproduceerd. Zoals hiervoor is overwogen, valt de intrekking van het Hechser door het Rabbinaat buiten de reikwijdte van dit geding. 4.12. Het hof zal het bestreden vonnis waar het gaat om de door [appellant] gevraagde voorzieningen en de door NIHS gevraagde voorziening onder (II) bekrachtigen. Een belangafweging leidt niet tot een andere uitkomst. Het hof verwijst naar rov. 4.11. en overweegt dat het belang van [appellant] bij de door haar gevraagde voorzieningen niet opweegt tegen het met beeindiging van deze overeenkomst gediende belang dat garandeert dat alleen koshere voedingsmiddelen geproduceerd kunnen worden met een Hechser, die is ingetrokken door het op dit punt autonoom functionerend Rabbinaat. Voor de onder B gevraagde voorziening komt daar het restitutierisico bij aan de kant van [appellant] die naar eigen zeggen in een penibele financiele situatie verkeert. De door NHIS gevraagde voorziening onder (I) 4.13. [appellant] heeft geen grief gericht tegen de gedeeltelijke toewijzing van vordering (I) van NIHS. Met haar incidentele grief II betoogt NIHS dat de vervaltermijn van de factuur over het eerste kwartaal van 2025 is verstreken en dat, ook na aanmaning daartoe, betaling is uitgebleven. [appellant] betwist dit niet gemotiveerd. Daarmee is vordering (I) ook met betrekking tot het bedrag van deze factuur (€ 650,-) en de wettelijke rente daarover voldoende aannemelijk om in kort geding te kunnen worden toegewezen. Het einde van de contractuele relatie tussen partijen en de slechte financiele situatie waarin [appellant] stelt te verkeren brengt in voldoende mate mee dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. In het bijzonder blijkt niet van enig restitutierisico aan de zijde van NIHS. Slotsom 4.14. Verdere bespreking van de grieven leidt niet tot een andere uitkomst. Niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder NIHS grief I heeft voorgesteld. Het bestreden vonnis zal warden vernietigd voor zover het de beslissing over vordering (I) van NIHS betreft. Voor het overige wordt het bestreden vonnis bekrachtigd. [appellant] zal in principaal en incidenteel hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij warden veroordeeld in de proceskosten van NIHS. 5 Beslissing Het hof: 5.1. vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij vordering (I) van NIHS is toegewezen tot een bedrag van€ 2.184,- met rente; en in zoverre opnieuw rechtdoende: 5.2. veroordeelt [appellant] tot betaling van€ 2.834,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 over€ 2.184,- en de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 over€ 650,-; 5.3. bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige; 5.4. veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van NIHS vastgesteld op€ 2.255,- aan verschotten en€ 4.426,- aan adv