Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2025-04-01
ECLI:NL:GHAMS:2025:3304
Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001953-21 Datum uitspraak: 1 april 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-680052-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, adres: [adres 1] . Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek onder de naam ‘Tessin’. In dit onderzoek is sprake van meer verdachten, onder wie [verdachte] , die hierna wordt aangeduid als ‘de verdachte’ dan wel ‘ [verdachte] ’. De medeverdachten worden hierna aangeduid als [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12, 14, 17 en 18 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 3 december 2018 tot en met 21 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of (telkens) heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of verkocht en/of verhandeld en/of overgedragen (aan een of meer tot op heden onbekend gebleven personen) een of meer hoeveelheid/hoeveelheden heroïne en/of cocaïne, in elk geval (telkens) een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Bewijsoverwegingen I Standpunten van partijen De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet, met dien verstande dat de ten laste gelegde periode in verband met de detentie van de verdachte dient te worden beperkt tot de periode van 14 januari 2019 tot 2 mei 2019. De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen. De verdachte wordt enkel tijdens een relatief klein gedeelte van de observaties en bij een aantal andere gelegenheden met medeverdachte(n) gezien. Daarbij is sprake van het brengen van vrienden naar afspraken als vriendendienst of het samen met hen halen van eten. Er is geen concreet bewijs in de vorm van taps of chatgesprekken dat bij de verdachte drugs zijn besteld dan wel dat hij deze heeft afgeleverd. De verklaring van de getuige [getuige 1] bij de politie, dat hij wel eens wat van de verdachte heeft gekregen, moet van het bewijs worden uitgesloten, althans met behoedzaamheid worden betracht, nu deze verklaring tegenstrijdig is met zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep dat hij geen drugs van de verdachte heeft gekocht. De OVC-gesprekken van 25, 26 en 27 april 2019 betreffen slechts stoerdoenerij en kunnen bovendien niet worden geëxtrapoleerd naar de gehele ten laste gelegde periode. Indien al moet worden geoordeeld dat de verdachte betrokkenheid heeft in de vorm van het verlenen van hand- en spandiensten, dan levert dit enkel medeplichtigheid op, hetgeen niet is ten laste gelegd, en geen medeplegen. Subsidiair is aangevoerd dat de pleegperiode moet worden ingekort vanwege onvoldoende bewij Op 15 februari 2019 zijn [medeverdachte 3] en [verdachte] samen gezien in de Peugeot van [medeverdachte 1] . Het hof overweegt dat voornoemde observaties, waarbij sprake is van kortstondige ontmoetingen met derden, veelal bekende harddrugsgebruikers, en ook verdovende middelen en contant geld wordt aangetroffen, duiden op de handel in verdovende middelen. Dat daarvan sprake is, vindt bevestiging in het navolgende. II.2.2 Deallijnen Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] , beide harddrugsgebruiker, blijkt dat de telefoonnummers [telefoonnummer 1] (hierna: # [telefoonnummer 1] ) en [telefoonnummer 2] (hierna: # [telefoonnummer 2] ) werden gebruikt als dealerlijnen. Op beide nummers zijn technische acties aangesloten. Het hof leidt uit de tapgesprekken af dat er korte gesprekken werden gevoerd, waarin bestellingen werden opgenomen en afspraken werden gemaakt voor de overdracht. In de gesprekken werden door de beller en de gebelde termen gebruikt als 'boven', ‘beneden’, ‘bolletjes', ‘sannie’, ‘bruin’, ‘wit’, ‘donnies’ en 'affoes’ om zaken aan te duiden; allemaal versluierd taalgebruik duidend op de handel in verdovende middelen. Ook werd gesproken over het koken en bereiden van drugs. De inhoud van deze gesprekken vindt onder meer bevestiging in de op 23 mei en 6 juni 2019 bij de politie afgelegde verklaringen van harddrugsgebruiker [persoon 2] , die blijkens de tap dealerlijn # [telefoonnummer 1] belde. [persoon 2] bevestigde bij de politie dat met ‘beneden’ en 'bruin' heroïne werd bedoeld en dat met ‘boven’ en ‘wit' cocaïne werd bedoeld. Ook heeft zij verklaard dat zij gedurende ongeveer een halfjaar, tot 21 mei 2019, twee tot drie keer per week, soms iedere dag, op verzoek heroïne heeft verpakt en cocaïne heeft bereid. [persoon 2] woonde aan de [adres 2] en had een relatie met de hierboven genoemde [getuige 2] . Uit de opgevraagde historische gegevens van het nummer # [telefoonnummer 2] is gebleken dat dit nummer contact heeft gehad met vijf telefoonnummers die eerder (tussen 29 november 2018 en 1 februari 2019) ook contact hadden met # [telefoonnummer 1] . De nummers hadden tot begin februari 2019 contact met # [telefoonnummer 1] en daarna met # [telefoonnummer 2] . Uit de gesprekken op de lijn # [telefoonnummer 1] bleek dat het meermalen voorkwam dat de gebruiker van # [telefoonnummer 1] aangaf terug te zullen bellen, maar dat een dergelijk gesprek vervolgens niet werd gehoord. De hierbij passende contactmomenten waren wel te zien in de historische printgegevens van # [telefoonnummer 2] , zodat kan worden aangenomen dat beide nummers door dezelfde persoon of groep werden gebruikt. Op basis van de getuigenverklaringen en de afgeluisterde tapgesprekken kan worden vastgesteld dat de nummers # [telefoonnummer 1] en # [telefoonnummer 2] werden gebruikt voor de handel in verdovende middelen. Ook kan worden vastgesteld dat beide telefoons incidenteel werden gebruikt voor één en dezelfde deal. II.2.3 Verdachten zijn in verband te brengen met het gebruik van de dealertelefoons # [telefoonnummer 1] en # [telefoonnummer 2] Op verschillende momenten is de politie voor observatie naar de locatie gegaan die in een afgeluisterd gesprek werd afgesproken voor de vermoede levering van drugs, om te kunnen vaststellen wie daar zou(den) verschijnen, of werd een observatie bevestigd door opgenomen telefoongegevens. Observaties in samenhang met tap op dealertelefoon # [telefoonnummer 1] Op 30 januari 2019 vraagt [persoon 2] aan de gebruiker van # [telefoonnummer 1] of diegene kan zorgen dat 'hij' (dus niet de gebruiker van # [telefoonnummer 1] , maar iemand waar deze gebruiker kennelijk mee in contact staat) om 16:15 uur bij haar is. Om 16:28 uur belt ze weer met # [telefoonnummer 1] , met de vraag waar hij is. Om 16:28 uur wordt gezien dat [medeverdachte 1] de woning van [persoon 2] in gaat. Op 20 februari 2019 wordt # [telefoonnummer 1] tussen 12:08 en 13:44 uur meermalen gebeld door het nummer [telefoonnummer 3] . Er word Hij zegt tegen [medeverdachte 2] en [verdachte] dat ze ook moeten uitrekenen, dat je leeg raakt in de avond en ‘wat heb je aan die lotto gram'. [medeverdachte 2] zegt ‘Morgen hebben ze een uitkering. [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] ’, waarop [medeverdachte 3] reageert ‘ik zeg afmaken’ en [verdachte] ‘Ja toch, zo bedoel ik het’. [medeverdachte 3] zegt dat hij nog 35 heeft liggen en vraagt of ze wel van die nieuwe hebben gepakt. [medeverdachte 3] zegt ook dat er dus uiteindelijk gewoon 75 gram is gepusht, waarop [verdachte] reageert met 65 en [medeverdachte 2] met 70 gram. Ze geven daarop alle drie aan dat dat lekker of heerlijk is en [medeverdachte 2] voegt daaraan toe dat het toch 16, 17 barkie per dag is. Volgens [verdachte] hebben ze kankerveel opgehaald en moeten er nieuwe balletjes worden gemaakt voor Turkoe. Op 26 april 2019 om 02:34 uur zitten [medeverdachte 2] , [verdachte] en twee onbekende personen (NN1 en 2) in de auto. [medeverdachte 2] zegt dat een donnie bruin 160 euro is en dat hij genoeg bruin in Noord heeft, hij koopt 50 of 100 euro in. Hij spreekt over ‘affoetjes’ en ‘donnietjes’ en zegt dat hij alles heeft gewogen. NN zegt dat [medeverdachte 2] zijn vaste dealer is, dat hij minimaal ‘douza’ of 1500 euro bij hem inkoopt. [medeverdachte 2] beaamt dat NN vaker bij hem koopt. Vervolgens wordt [medeverdachte 2] gebeld en wordt een afspraak gemaakt om over 20 minuten bij de beller zijn. Een paar minuten later gaat de deur van de auto open, een NN-persoon vraagt 'hoeveel voor 150’. [medeverdachte 2] zegt dat hij gisteren heeft gekookt, in totaal 45 gram, maar dat hij veel bruin heeft verkocht die dag en eigenlijk weer moet gaan koken. Op 27 april 2019 om 00:28 uur zitten [verdachte] en [medeverdachte 2] in de auto. [medeverdachte 2] zegt dat iets moet worden gegeven aan Bo, dat het gelijk moet worden opgehaald en – op instructie van [verdachte] – dat degene haar ook moet laten roken en moet vragen hoe die sannie is. Dan stapt [medeverdachte 3] in. [verdachte] bespreekt met hem voor hoeveel er moet worden gepakt: ‘ik zei vorige keer toch al 31, we pakken hem op 30’, waarop [medeverdachte 3] reageert met ‘Ja toch’ en [verdachte] aangeeft dat als je de getallen niet lager noemt, mannen nooit lager gaan. [verdachte] zegt ook dat als je 32 zegt, die man op 32 gaat blijven, waarop [medeverdachte 3] het getal 31 noemt en [medeverdachte 2] het getal 30. [verdachte] geeft aan dat hij gaat kopen bij die man als ‘ie leipe sannie heeft’. [medeverdachte 3] zegt dat hij hoopt dat ‘hij’ die oude weer heeft, die door een zekere [persoon 9] als ‘dynamite’ is aangemerkt. [verdachte] zegt dat hij daar ‘gewoon halve ki’ moet halen. Even later zegt hij dat hij morgen die gast gaat betalen. [medeverdachte 3] antwoordt 'geen stress we betalen morgen’. [verdachte] zegt dat ze 28 gaan geven voor een halve kilo. Op 28 april 2019 om 18.21 uur zitten [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de auto, waarbij op de achtergrond een NN-persoon hoorbaar is. [verdachte] vraagt of [persoon 10] een Donnie heeft gehaald, waarop [medeverdachte 2] reageert met ‘halve gram lala en vier donnie weetie’. [medeverdachte 3] vraagt aan de NN-persoon wat hij heeft, waarop deze zegt dat hij 9 donnies nodig heeft en bevestigend antwoordt op de vraag van [medeverdachte 3] ‘aan Sannie?’. [medeverdachte 3] vraagt waar [persoon 11] is en zegt dat ‘hij’ ( [persoon 11] of een andere derde) eigenlijk 20 grannies heeft, dat hij gewoon 6 barkies moet aflossen. Hij vraagt [medeverdachte 2] of deze derde nog sannie heeft van die andere sannie en ook dat hij ( [medeverdachte 3] ) zelf verpakt heeft. [medeverdachte 3] zegt verder tegen [medeverdachte 2] dat het “[persoon 12]” zijn lijn is en dat [medeverdachte 2] wordt gebeld, maar moet afleveren. [medeverdachte 3] zegt dat de klanten denken dat de persoon die de telefoon opneemt de baas is, dat ze weten dat hij de telefoon heeft gegeven aan iemand die hij gewoon vertrouwt. [medeverda De bij de politie afgelegde verklaringen van deze getuigen vinden steun in elkaar en/of in de overige bewijsmiddelen. Zo vindt de verklaring van [persoon 2] , dat zij in haar woning aan de [adres 2] cocaïne heeft gekookt en heroïne heeft verpakt voor [bijnaam 1] ( [medeverdachte 1] ), [bijnaam 2] ( [medeverdachte 2] ) en [persoon 12] ( [medeverdachte 3] ), steun in de verklaring van [getuige 2] bij de politie. [getuige 2] bevestigt, zoals hiervoor reeds overwogen, dat [medeverdachte 1] verdovende middelen kwam brengen en deze bij [persoon 2] en hem in de [adres 2] werden verpakt en/of gekookt. De verklaring van [persoon 2] vindt steun in diverse, in de bewijsmiddelen opgenomen, tapgesprekken. Ook wordt de dealerauto met daarin [medeverdachte 1] (onder andere op 5 en 8 februari 2019) of [verdachte] met [medeverdachte 2] (onder andere op 26 maart 2019 en 17 april 2019) na het maken van afspraken via de dealtelefoon bij voornoemd adres gezien. Daar komt bij dat [medeverdachte 2] als getuige ter zitting in hoger beroep heeft bevestigd dat hij met [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] heeft gedeald en dat [persoon 2] verdovende middelen voor hen verpakte en kookte. [persoon 2] heeft ook gelijkelijk verklaard bij de rechter-commissaris in het kader van haar inbewaringstelling. Verder verklaren zowel [persoon 2] als [getuige 2] ter zitting in hoger beroep dat zij bij de politie naar waarheid hebben verklaard. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is verder niet gebleken dat sprake is geweest van sturing of ontoelaatbare druk door de politie – het ervaren van enige (emotionele) druk door de getuigen als gevolg van vermoeidheid of drugsbehoefte of het door het verhoorkoppel wijzen op persoonlijke omstandigheden van een getuige is daartoe onvoldoende – terwijl er evenmin aanwijzingen zijn dat deze (toelaatbare) druk heeft geleid tot valse verklaringen. De getuige [persoon 2] heeft dienaangaande op zitting in hoger beroep ook verklaard (in antwoord op de vraag of zij zich onder druk gezet voelde tijdens dat eerdere verhoor, waarin zij aangaf drugs nodig te hebben, en of ze daardoor anders heeft verklaard) ‘dat zij nog liever ziek is dan dat zij iemand beschuldigt die er niet bij betrokken was’ en dat ze niets is gaan verzinnen om er vanaf te zijn. Hieruit leidt het hof af dat de getuige niemand valselijk is gaan beschuldigen. Gelet op de overwegingen die hiervoor zijn vermeld, ziet het hof evenmin reden voor twijfel aan de verklaring van de getuige [getuige 1] bij de politie over het dealen door [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Dat deze getuige nadien, bij de rechter-commissaris en ter zitting in hoger beroep, anders is gaan verklaren – kennelijk, getuige het SMS-bericht dat hij op 31 mei 2019 aan verbalisant [verbalisant] stuurde, omdat hij niet gelukkig was met het feit dat zijn verklaring bij de verdachten terecht is gekomen en hij ter verantwoording is geroepen – maakt zijn verklaring bij de politie, die door hem is ondertekend, niet onbruikbaar voor het bewijs. Dat, en zo ja op welke wijze, de getuige zou zijn gestuurd door de politie, volgt niet uit de verklaring van de getuige of anderszins uit het dossier en is ook door de verdediging niet nader onderbouwd. Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaringen van [persoon 2] , [getuige 2] en [getuige 1] bij de politie betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het verweer van de verdediging wordt verworpen. II.2.6 Conclusie Het hof is van oordeel dat, gelet op de hiervoor weergegeven waarnemingen, tapgesprekken, observaties, OVC-gesprekken en getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het, bereiden, vervoeren, verkopen, verhandelen en overdragen van heroïne en cocaïne. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking de waarnemingen die door de politie zijn gedaan in de periode voorgaande aan de ten laste Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 324 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De verdediging heeft met betrekking tot de strafmaat verzocht rekening te houden met de door haar bepleite kortere pleegperiode, met de omstandigheid dat de verdachte zich 339 dagen aan vrijheidsbeperkende schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, dat sprake is van een oude zaak en van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Ook wordt verzocht rekening te houden met het feit dat de verdachte op 6 november 2020 een ernstig auto-ongeluk heeft gehad en in een andere zaak een bijtwond van een politiehond heeft opgelopen. Verzocht wordt geen langere straf op te leggen dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, met daarbij - eventueel - een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich in de periode van 15 februari 2019 tot en met 1 mei 2019 samen met anderen bezig gehouden met de (straat)handel in harddrugs, door middel van zogenoemde dealerlijnen. Het gebruik van harddrugs zoals cocaïne en heroïne levert een ontoelaatbaar gevaar op voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de handel ervan dikwijls gepaard met verschillende andere vormen van criminaliteit en overlast. De verdachte handelde steeds uit winstbejag en heeft met zijn gedragingen zijn eigen financieel gewin boven de veiligheid en gezondheid van anderen gesteld. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie (strafblad) van 4 maart 2025 is de verdachte eerder ter zake van feiten genoemd in de Opiumwet onherroepelijk veroordeeld, namelijk op 15 maart 2018, welk vonnis onherroepelijk is geworden op 28 maart 2019, welke datum ligt in de hiervoor bewezen verklaarde periode. Desondanks blijft hij recidiveren. De verdachte, die tot 14 januari 2019 in detentie zat in een andere zaak, is na zijn vrijlating in februari 2019, (weer) gaan dealen. Het hof houdt bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf rekening met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Mede ook gezien de aard en de ernst van het feit en de eerdere veroordeling in het kader van de Opiumwet, is het hof van oordeel dat thans niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel, alles afwegende, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen passend en geboden. Het hof stelt vast dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep sprake is geweest van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten va