Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-11-20
ECLI:NL:GHAMS:2025:3205
Strafrecht
Hoger beroep
1,142 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002394-23
datum uitspraak: 20 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-266199-20 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de integrale vrijspraak aanvult zoals in het navolgende weergegeven.
Aanvullende overweging vrijspraak
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard.
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit.
Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank, strekkende tot integrale vrijspraak van het ten last gelegde, en overweegt in aanvulling daarop als volgt.
Het hof heeft, anders dan door de verdediging wordt betoogd, geen reden voor twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster wat betreft de door haar beschreven ontuchtige handelingen, inclusief het door de verdachte brengen van zijn vingers in de vagina van aangeefster, nu zij daarover consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Het hof kan echter niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de aangeefster ten tijde van de ten laste gelegde ontuchtige handelingen verkeerde in een toestand die moet worden aangemerkt als ‘verminderd bewustzijn’, nu de verklaringen van de aangeefster op dat punt niet eenduidig zijn, zoals de rechtbank ook heeft geconstateerd. Het hof betrekt daarbij, naast hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, dat de aangeefster heeft verklaard dat de ontuchtige handelingen een half uur hebben geduurd en zij deze handelingen in de vorm van het strelen over benen en billen in het begin heeft toegelaten totdat het hardhandiger werd, hetgeen naar het oordeel van het hof eerder duidt op een situatie van waakzaamheid, nu de aangeefster kennelijk in staat was de verschillende handelingen te duiden en daarbij onderscheid te maken in wat zij wel en niet toestond. De door de advocaat-generaal aangehaalde jurisprudentie verschilt van de onderhavige zaak, nu in die zaken duidelijk was dat het slachtoffer zich ten tijde van de ontuchtige handelingen in (half)slaap bevond.
Het hof concludeert dan ook dat het gedrag van de verdachte – hoewel volstrekt onaanvaardbaar en laakbaar – onder de ten tijde van de ten laste gelegde feiten geldende wetgeving niet tot een veroordeling kan leiden.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M. Senden en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2025.
=
===
[…]
Zie het proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2023 met als bijlage de woordelijk uitgewerkte aangifte van [persoon 1] (p. 15 van 30): “Het was echt een oploop, heel…Het begon eigenlijk over m’n been en eh over mijn billen. En dat heb ik in het begin nog wel, toen het alleen nog dat was, wel toegelaten. Maar het was op een gegeven moment werd het hardhandiger en was het duidelijk dat het om seks draaide en niet om kriebelen of zo. Dat liet ik toe. Maar omdat ik dacht dat het [persoon 2] was.”