Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-11-27
ECLI:NL:GHAMS:2025:3170
Strafrecht
Hoger beroep
2,439 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003046-23
datum uitspraak: 27 november 2025
TEGENSPRAAK (279 Sv)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 november 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-156361-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1973,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2025 en 27 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primairhij op of omstreeks 22 juni 2022 te Maastricht-Airport, gemeente Beek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere telefoons (van het merk iPhone en Samsung) en/of een of meerdere laptops, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen telefoon(s) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiairhij op of omstreeks 23 juni 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere telefoons (van het merk iPhone en Samsung), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert.
Verwerping bewijsuitsluitingsverweer
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verbalisanten ten onrechte tot een doorzoeking van de auto (met kenteken [kenteken] ) waarin de verdachte als bijrijder zat zijn overgegaan, zodat sprake is geweest van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Dit moet leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten uit die doorzoeking.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 23 juni 2022 (pagina 7 e.v.) komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren.
- Verbalisant [verbalisant 1] was ambtshalve bekend dat het kenteken [kenteken] op de 'ANPR' bestandenlijst was geplaatst, in verband met signalering van de auto bij eerdere bedrijfsinbraken. Dit was de aanleiding om een stopteken te geven en de bestuurder ( [persoon] ) zijn rijbewijs te vragen.
- [verdachte] stapte direct uit eigen beweging uit de auto en was aan het telefoneren, waarbij hij in de richting van de nabije portiekwoningen keek. Vervolgens kwam er een vrouw uit de portiek naar buiten en de verbalisanten zagen dat [verdachte] een plastic ‘ [winkel] ’ boodschappentas uit de achterbak pakte en aan haar overhandigde. De verbalisanten sommeerden haar om de tas terug te leggen in de achterbak.
- Na bevraging van [persoon] en [verdachte] in de politiesystemen zagen de verbalisanten dat zij allebei meerdere antecedenten hadden wegens bedrijfsinbraken.
-Vervolgens zijn de verbalisanten op grond van artikel 96b Sv overgegaan tot doorzoeking van de auto, waarbij in de achterbak in de ‘ [winkel] ’ boodschappentas meerdere doosjes met telefoons aantroffen, met daarop de bedrijfsnaam [bedrijf] .
Het hof ziet geen reden om aan voorgaande bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te twijfelen en overweegt verder het volgende.
Voorop staat dat opsporingsambtenaren op grond van het bepaalde in artikelen 159 en 160, eerste en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) bevoegd zijn voertuigen te controleren op de naleving van de bij of krachtens die wet gegeven voorschriften. De verbalisanten waren dus bevoegd om [persoon] naar zijn rijbewijs te vragen en zij hebben dit ook gedaan. De omstandigheid dat deze controlebevoegdheid daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt, brengt niet mee dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend. Het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit staat niet in de weg aan het uitoefenen van deze controlebevoegdheden door opsporingsambtenaren, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen (vgl. HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454).
Tijdens het uitoefenen van de controle op grond van de Wegenverkeerswet ontstond vervolgens een redelijke verdenking door de al ambtshalve bekende informatie over de signalering van de auto, in combinatie met het gedrag van [verdachte] - die de boodschappentas aan een kennelijk door hem gebelde vrouw wilde meegeven - en het feit dat zowel [verdachte] als [persoon] antecedenten bleken te hebben.
Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden tezamen en in onderling verband bezien voldoende grond opleverden voor een verdenking van een strafbaar feit in de zin van artikel 27 Sv, waarop de verbalisanten tot een doorzoeking van de auto mochten overgaan. Van een vormverzuim is derhalve geen sprake. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Bewijsoverweging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van (het medeplegen van) de inbraak op 22 juni 2022 te Maastricht-Airport.
De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat het tenlastegelegde dient te worden bewezenverklaard.
Het hof verwerpt de gevoerde bewijsverweren met verwijzing naar de - bij cassatie uit te werken - bewijsmiddelen. Het hof merkt hierbij op dat het voor het bewijs niet gebruik zal maken van het proces-verbaal van herkenning van de politieambtenaar [verbalisant 3] . Nu dit door de verdediging ook is bepleit, behoeft de overige inhoud van het verweer dat hierop betrekking heeft geen verdere bespreking.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 juni 2022 te Maastricht-Airport, gemeente Beek, tezamen en in vereniging met anderen, telefoons (van het merk iPhone en Samsung) en laptops, die aan [bedrijf] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die weg te nemen telefoons onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1615 EURO; IBGN 23-6-2022 (Omschrijving: PL1300-2022129283-G6202959).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. C.J. van der Wilt en mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 2025.