Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-30
ECLI:NL:GHAMS:2025:308
Strafrecht
Hoger beroep
1,220 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002607-20
datum uitspraak: 30 januari 2025
TEGENSPRAAK (279 Sv)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 november 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-253674-20 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Gedeeltelijke bevestiging vonnis
Het hof verenigt zich met het vonnis van de politierechter en zal dit daarom bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen, na het eventueel instellen van beroep in cassatie, uitgewerkt zal opnemen in de op te maken aanvulling op dit arrest en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toevoegt aan de toepasselijke wetsartikelen.
Toepassing artikel 9a Sr
De politierechter heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde aan de verdachte een geldboete van
€ 375,00 opgelegd met aftrek van voorarrest. Ook is aan de verdachte een contact- en locatieverbod in de zin van artikel 38v Sr opgelegd, dat dadelijk uitvoerbaar is verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan de vordering van de advocaat-generaal. Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft zij aangevoerd dat de verdachte al sinds geruime tijd, vanwege zijn hardnekkige alcoholverslaving, in het kader van een zorgmachtiging verblijft in Beilen.
Het hof heeft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte in aanmerking genomen en in het bijzonder het volgende.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn pleegbroer en diens vriendin. Hiermee heeft hij bij hen de angst en vrees opgewekt dat hij hen daadwerkelijk iets aan zou doen. Dat is een ernstig feit en rechtvaardigt de oplegging van een straf. De straf zoals opgelegd door de politierechter acht het hof in beginsel passend als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Mede gelet op de hierna te bespreken forse overschrijding van de redelijke termijn, zal deze straf toch niet worden opgelegd.
Het hof ziet op dit moment ook geen aanleiding meer een vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoel in artikel 38v Sr op te leggen. Nu de verdachte met een zorgmachtiging in Beilen verblijft is een contact- en locatieverbod niet langer nodig.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. De politierechter heeft op 2 november 2020 vonnis gewezen. Namens de verdachte is op 16 november 2020 hoger beroep ingesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. Nu het hof op 30 januari 2025 eindarrest zal wijzen, is de redelijke termijn in hoger beroep met twee jaar en twee maanden overschreden.
Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bepaalt het hof dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. J. Piena en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2025.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.