Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-10-14
ECLI:NL:GHAMS:2025:2949
Strafrecht
Hoger beroep
1,561 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000169-23
datum uitspraak: 14 oktober 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 november 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-345788-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 30 oktober 2021 te Amsterdam openlijk, te weten, de Schipluidenlaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [benadeelde partij] door eenmaal of meermalen te slaan en/of te stompen op/tegen voornoemde [benadeelde partij] ;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.
Vrijspraak
Het hof stelt op grond van de inhoud van de verklaringen in het dossier vast dat het op 30 oktober 2021 tegen de aangever gepleegde geweld valt te onderscheiden in twee van elkaar te onderscheiden fases: geweld binnen de bus en geweld buiten de bus. Op basis van de verklaring van de aangever en de verklaring van de verdachte, namelijk dat hij de aangever in de bus een tik op zijn achterhoofd heeft gegeven, stelt het hof vast dat de verdachte de aangever in de eerste fase, dus in de bus, heeft geslagen. Het hof constateert verder, op grond van de inhoud van het dossier, dat het incident in de bus niet is overgegaan in het later, buiten de bus tegen de aangever (in vereniging) gepleegde geweld. Uit onder meer de verklaring van getuige [getuige 1] van 2 november 2021 en de verklaring van getuige [getuige 2] van 14 april 2022 volgt namelijk dat de aangever na het opstootje met de verdachte in de bus uiteindelijk weer ging zitten en er ‘niet veel meer aan de hand was’ totdat alle betrokkenen uitstapten bij station Lelylaan. De eerste fase was dus in de bus al geëindigd.
Vervolgens is de aangever in de tweede fase van de gebeurtenissen, bij en na het uit de bus stappen door meerdere personen belaagd en geslagen, waaronder in ieder geval door een persoon gekleed in een slim fit witte trui, een persoon gekleed in een zwarte (North Face) jas (medeverdachte [medeverdachte] ) en een persoon gekleed in het groen. Vast staat dat de tegen de aangever gepleegde geweldshandelingen buiten de bus het letsel van de aangever hebben veroorzaakt.
De verdachte droeg op de bewuste avond een ‘wat wijdere’ witte trui. Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat, mede gelet op de verklaringen van de aangever en de overige inhoud van het dossier, niet met de daarvoor vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte een van de in een witte trui geklede personen is geweest die ook buiten de bus geweld tegen de aangever heeft gepleegd.
Omdat de geweldshandeling(en) van de medeverdachte(n) in de tweede fase moeten worden onderscheiden van het handelen van de verdachte in de eerste fase, is het hof op basis van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van geweld, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.948,65. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.550,85. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 oktober 2025.
Mr. A.W.T. Klappe is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.