Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-07-03
ECLI:NL:GHAMS:2025:2743
Strafrecht
Hoger beroep
941 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000071-23
datum uitspraak: 3 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-254612-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres 1] .
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2025.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal, strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 10 augustus 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter. De dagvaarding voor die terechtzitting is op 1 augustus 2022 aan het openbaar ministerie uitgereikt, nadat een poging de dagvaarding aan de verdachte te betekenen op het adres [adres 2] was mislukt omdat de verdachte weigerde de brief aan te nemen.
De verdachte is op 10 augustus 2022 bij verstek veroordeeld. Het vonnis is op 18 november 2022 aan de verdachte in persoon betekend.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 6 januari 2023, nadat hij daartoe op 5 januari 2025 een volmacht had gegeven aan de strafgriffie van de rechtbank.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hem eerder door anderen werd geadviseerd om geen hoger beroep in te stellen omdat het in contact treden met het hof ertoe zou leiden dat hij in een cyclus zou belanden waar hij niet meer uit zou komen. Uiteindelijk heeft de verdachte de hem opgelegde geldboete betaald en is hij toch in hoger beroep gegaan omdat dit volgens hem de enige weg is om aan te tonen dat hij onschuldig is.
Het hof overweegt als volgt.
De uitspraak van de politierechter is op 18 november 2022 aan de verdachte in persoon betekend. Op die datum was de verdachte op de hoogte van de inhoud van het door de politierechter gewezen vonnis. Uit niets is gebleken dat de verdachte de strekking hiervan niet heeft begrepen of dat anderszins enig hem toekomend recht is geschonden. Bij die stand van zaken had de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering binnen veertien dagen na 18 november 2022 in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter pas op 5 januari 2025 de volmacht gegeven om hoger beroep te doen instellen. Zowel ter terechtzitting in hoger beroep als uit het dossier is niet gebleken van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar kan worden geacht.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. A.W.T. Klappe en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. C.T. Snellenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juli 2025.