Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-08-15
ECLI:NL:GHAMS:2025:2734
Strafrecht
Hoger beroep
2,410 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000288-25
datum uitspraak: 15 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2025 in de strafzaak onder het parketnummer 13-329010-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1997,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
1 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf– in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande:
dat het hof tot een verbeterde lezing komt van de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde, zoals hierna opgenomen en toegelicht; en
dat het hof bewijsmiddel 1 van de rechtbank vervangt door het navolgende bewijsmiddel en bewijsmiddel 2 aanvult op de navolgende wijze.
Verbeterde lezing van de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde
Het hof is van oordeel dat – gelet op de gebezigde bewijsmiddelen – kan worden aangenomen dat het onderdeel “die [slachtoffer] bij de nek en/of de kraag van zijn jas heeft vastgepakt en” als gevolg van een kennelijke misslag door de rechtbank in de bewezenverklaring van feit 1 is opgenomen. Het hof beperkt zich tot een vaststelling van de juiste inhoud van de bewezenverklaring van de rechtbank, omdat het hof geen strafrechtelijk relevant ander oordeel heeft omtrent hetgeen bewezen is. Met die verbeterde lezing worden de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aangetast en het leidt ook niet tot een andere kwalificatie. De verdachte is door deze verbeterde lezing van de bewezenverklaring niet geschaad in de verdediging.
Het hof stelt dan ook met een verbeterde lezing van het onder 1 primair tenlastegelegde vast dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 18 juni 2023 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] naar de grond heeft geworpen en
- het hoofd van die [slachtoffer] meermalen tegen de grond heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vervanging en aanpassing bewijsmiddelen voor de feiten 1 primair en 2:
Het hof vervangt bewijsmiddel 1 van de rechtbank als volgt:
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 januari 2025. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 18 juni 2023 zat ik op de stoep. Een persoon was mij aan het filmen. Ik stond op en
vroeg hem waarom hij dat deed. Toen sloeg hij mij. Ik dacht bij mijzelf: wow, wat gebeurt
er? Ik ging vervolgens meteen tekeer. Ik sloeg hem terug, pakte hem bij zijn lichaam en
werkte hem naar de grond toe. Daarna heb ik zijn hoofd meermalen tegen de grond
geslagen. Ik liet hem gestrekt op de grond achter. Ik liep terug om zijn telefoon en
powerbank af te pakken. Hij deed alsof hij het voor het zeggen had. Dat pikte ik niet.
U vraagt mij of ik bang was voor hem. Nee.
Op dat moment brandde ik van boosheid. Ik wilde hem vermoorden.
Het hof vult bewijsmiddel 2 van de rechtbank aan met de volgende zin, na “want hij was mij aan het vermoorden” (doorgenummerde pagina 25):
Hij heeft ook mijn telefoon gestolen.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft het hof verzocht om dezelfde straf op te leggen als de rechtbank. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard spijt te hebben van zijn handelen. Daarnaast heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf voldoende rekening gehouden met alle omstandigheden en wordt met de in eerste aanleg opgelegde straf ook recht gedaan aan het eigen aandeel van het slachtoffer in de aanvang van het geweld.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Tussen de verdachte en het slachtoffer is een confrontatie ontstaan, nadat de verdachte merkte dat hij door het slachtoffer ongevraagd op straat werd gefilmd. Het slachtoffer probeerde de verdachte weg te duwen en geeft hem vervolgens een klap, waarna de situatie helemaal uit de hand is gelopen. De verdachte heeft het slachtoffer teruggeslagen en hem daarna op de grond geworpen en hem vervolgensmet zijn hoofd vele malen, wel 17 keer, met kracht op de grond – een betegeld trottoir –geslagen, waarbij het slachtoffer daar even bewegingsloos heeft gelegen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een kwestie van geluk geweest dat het slachtoffer geen ernstiger letsel heeft overgehouden aan het gedrag van de verdachte dan de verwondingen in zijn gezicht. Het slachtoffer had door het toedoen van de verdachte dodelijk letsel kunnen oplopen. Een feit als het onderhavige veroorzaakt onrust en versterkt de in de samenleving aanwezige gevoelens van onveiligheid en onbehagen. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld (ernstige) psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een telefoon en een powerbank, die toebehoorden aan het slachtoffer. Nadat de verdachte het slachtoffer in eerste instantie roerloos achterlaat op de stoep, loopt hij toch nog terug om een telefoon en een powerbank van het slachtoffer te stelen. Door zijn handelwijze heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
Het hof is van oordeel dat op feiten als de onderhavige, met name de poging tot doodslag, niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf de ernst van met name het gepoogde levensdelict onvoldoende tot uitdrukking brengt. Het hof vindt het zorgelijk dat de verdachte niet meer of ander (geloofwaardig) inzicht heeft gegeven in zijn handelen dan hij in eerste aanleg had gedaan.
Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige inartikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. W.F. Groos en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van
mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 augustus 2025.
Mr. A.W.T. Klappe is buiten staat het arrest te ondertekenen.