Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-30
ECLI:NL:GHAMS:2025:271
Strafrecht
Hoger beroep
1,450 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001364-22
datum uitspraak: 30 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 mei 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-860130-20 tegen de betrokkene
[betrokkene]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 24.850,00.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 mei 2022 in de strafzaak onder meer veroordeeld ter zake van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 4 mei 2022 in de ontnemingszaak de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 21.100,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2025 wederom onder meer veroordeeld ter zake van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25, 27 en 28 november 2024, 3, 9 en 10 december 2024 en 24 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot toewijzing van de ontnemingsvordering tot € 24.850,00, en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat:
- de grondslag van de ontnemingsvordering, zoals vermeld op pagina 2, onder 5.1, eerste alinea, van het vonnis zal worden vervangen door onderstaande grondslag en aanvullende overwegingen;
- de overwegingen met betrekking tot de betalingsverplichting, zoals in het vonnis aan de orde onder 5.4, worden aangevuld met een overweging omtrent de overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Grondslag van de vordering
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2025 onder meer veroordeeld ter zake van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan in de periode van 28 maart 2020 tot en met 29 mei 2020.
Het hof acht, anders dan de advocaat-generaal in zijn conclusie van 22 november 2024, onvoldoende aanwijzingen voor het bestaan van een extra levering van 5 kilogram ketamine op 6 juni 2020, zodat deze niet in de berekening wordt meegenomen. De betrokkene is ook vrijgesproken van de groothandel in ketamine in de periode van 29 mei 2020 tot en met 6 juni 2020, hetgeen reeds grond voor afwijzing vormt.
Hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht betreft een herhaling van bewijsverweren, die reeds in de strafzaak zijn verworpen en hier niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
Voor het overige neemt het hof de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de grondslag over, zoals opgenomen onder 5.1, tweede, derde en vierde alinea van het vonnis vanaf “Op grond van deze veroordeling kan veroordeelde worden verplicht…” tot en met “…dan in de strafzaak zijn bewezen verklaard.” en dienen deze als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Verplichting tot betaling aan de Staat
De verdediging heeft gesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden, hetgeen tot een matiging van de betalingsverplichting zou moeten leiden.
Het hof overweegt dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim acht maanden is overschreden. Nu in de strafzaak in de fase van hoger beroep is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en die overschrijding matiging van de aan de veroordeelde opgelegde straf tot gevolg heeft gehad, acht het hof de schending van de redelijke termijn voldoende gecompenseerd. Het hof ziet daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. M. Senden en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2025.
[…]