Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-05-22
ECLI:NL:GHAMS:2025:2544
Strafrecht
Hoger beroep
2,450 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003042-22
datum uitspraak: 22 mei 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-330032-21 tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2025.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.zij, op of omstreeks 7 december 2021 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een uniform, althans kleding en/of een of meerdere persoonlijke eigendom(men), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.zij, op of omstreeks 7 december 2021 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] , in zijn tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "flikker" en/of "mongool" en/of "vuile kanker jood", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.zij op 7 december 2021 te Amstelveen, opzettelijk en wederrechtelijk een uniform, toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander, onbruikbaar heeft gemaakt;
2.zij op 7 december 2021 te Amstelveen opzettelijk [slachtoffer] , in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: “flikker” en “mongool” en “vuile kanker jood”.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
De ter terechtzitting gevoerde bewijsverweren worden weersproken door de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door acht dagen hechtenis en met dien verstande dat voor iedere dag die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht aftrek zal plaatsvinden naar de maatstaf van € 50,00 per dag.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 300,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door zes dagen hechtenis en met dien verstande dat voor iedere dag die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht aftrek zal plaatsvinden naar de maatstaf van € 50,00 per dag.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof primair verzocht om vanwege persoonlijke omstandigheden van de verdachte toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Zij heeft subsidiair verzocht om een geheel voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich, nadat zij door de buschauffeur was gewezen op het feit dat zij niet met een geopend blikje energiedrank de bus mocht betreden, schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van het uniform van de buschauffeur door de inhoud van het blikje energiedrank over hem heen te gooien. Kort daarna heeft zij de buschauffeur beledigd door hem uit te schelden voor “flikker”, “mongool” en “vuile kanker jood”. Door zo te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans spullen en heeft zij de waardigheid van de buschauffeur aangetast. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 april 2025 is de verdachte op 25 juli 2017 onherroepelijk veroordeeld voor belediging. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden nogmaals de fout in te gaan.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij vanwege haar posttraumatische stressstoornis soms heftig reageert op situaties en dat ze moeite heeft met emotieregulatie. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging ter terechtzitting een verwijsbrief voor specialistische GGZ van 8 augustus 2024 overgelegd. De verdachte ziet in dat haar reactie verkeerd was en wil hier graag aan werken, maar staat al een jaar op de wachtlijst voor behandeling. Het hof ziet in deze persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om de straf te matigen.
De redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in hoger beroep overschreden. Namens de verdachte is op 18 november 2022 hoger beroep ingesteld en het hof spreekt dit arrest uit op 22 mei 2025. Het gaat daarmee om een overschrijding van ruim zes maanden. Vanwege de overschrijding ziet het hof eveneens aanleiding de straf te matigen.
Al met al zal het hof niet zoals de politierechter een onvoorwaardelijke geldboete van € 400,00 euro opleggen, maar volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 400,00.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 266 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. C.J. van der Wilt en mr. E.J Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 mei 2025.
mr. C.J. van der Wilt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]