Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-09-09
ECLI:NL:GHAMS:2025:2543
Strafrecht
Hoger beroep
1,051 tokens
Inleiding
proces-verbaal terechtzitting
GERECHTSHOF AMSTERDAM
datum arrest 9 september 2025
parketnummer 23-000299-25
datum vonnis eerste aanleg 17 juni 2024
parketnummer 15-304155-23
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, enkelvoudige kamer, op 9 september 2025.
Tegenwoordig:
mr. S.M. Milani raadsheer,
en D. Chemlali griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. P.A. Willemse, advocaat-generaal.
De verdachte, ter terechtzitting verschenen, antwoordt op vragen van de raadsheer te zijn:
[verdachte]
geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats]
[adres]
De raadsheer vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en wijst erop dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
De raadsheer houdt voor dat de vorige zitting de tijdigheid van het hoger beroep is besproken en dat het raadzaam is voor de verdachte om zich te voorzien van rechtsbijstand.
De verdachte verklaart:
Ik heb besloten om geen advocaat in de arm te nemen. Ik wil het toch liever alleen doen, want ik vertrouw geen enkele advocaat. Ik begrijp dat vandaag besloten wordt over of ik tijdig hoger beroep heb ingesteld. Ik was destijds niet in staat een weloverwogen beslissing te nemen of een advocaat in te schakelen, omdat ik mij in een vreemde staat bevond.
De advocaat-generaal voert het woord en vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep nu dat hoger beroep te laat is ingesteld door de verdachte.
De verdachte reageert:
Ik blijf er bij dat ik in een vreemde staat was. Ik heb verder niets te zeggen.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 17 juni 2024 te verschijnen ter terechtzitting van de rechtbank Noord-Holland. De dagvaarding is de verdachte op 29 maart 2024 in persoon betekend.
De verdachte is op 17 juni 2024 bij verstek veroordeeld en het hoger beroep is ingesteld op 7 februari 2025.
Het hof stelt vast dat het hoger beroep niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingesteld. De verdachte heeft aangevoerd dat hij daartoe niet in staat was, omdat hij naar eigen zeggen niet in de positie verkeerde een weloverwogen beslissing te nemen. Het hof begrijpt deze verklaring aldus dat de verdachte meent dat de termijnoverschrijding hem niet kan worden aangerekend.
Het hof overweegt dat de wettelijke termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in strafzaken in het belang van de rechtszekerheid en de doelmatige rechtspleging strikt moeten worden gehanteerd. Slechts onder bijzondere, verschoonbare omstandigheden kan een overschrijding van de termijn worden aanvaard. Dat de verdachte stelt niet in staat te zijn geweest een weloverwogen beslissing te nemen, hetgeen ook overigens geen handen en voeten is gegeven, ondanks dat het hof de verdachte in de gelegenheid heeft gesteld om zich te voorzien van rechtsbijstand. levert naar het oordeel van het hof geen dergelijke bijzondere omstandigheid op.
Het hof is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding, zodat de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.