Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-30
ECLI:NL:GHAMS:2025:247
Strafrecht
Hoger beroep
1,336 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001376-24
datum uitspraak: 30 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2024 in de strafzaak onder de parketnummers
13-249763-23 en 13-264339-22 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
16 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in een woning opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep die overduidelijk bestemd was voor de verdere handel, en daarmee aan de verdere verspreiding van die hennep. Het gebruik van hennep heeft schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit.
Kijkend naar de oriëntatiepunten van de LOVS geldt voor het opzettelijk aanwezig hebben van deze hoeveelheid softdrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden als uitgangspunt. Het hof gaat er evenwel, op basis van de bevindingen in het dossier en de foto’s van de aangetroffen drugs, bij het bepalen van de straf van uit dat het hier ging om een voorraad voor een coffeeshop en dat de drugs niet van de verdachte waren, maar dat hij die ‘slechts’ bewaakte. Het vertrekpunt van de LOVS is om die reden naar het oordeel van het hof niet passend voor de aan de verdachte op te leggen straf en om die reden wijkt het hof ook af van de eis van de advocaat-generaal.
Het hof acht het voor de samenleving niet zinvol om deze verdachte een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf (van korte duur) te laten ondergaan. In plaats daarvan zal het hof aan de verdachte een forse taakstraf opleggen om de maatschappij te dienen. Daarnaast zal het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, waarmee wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. D.A.C. Koster en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
30 januari 2025.
mr. D.A.C. Koster en mr. V.J.M. Goldschmeding zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.