Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-06-17
ECLI:NL:GHAMS:2025:2444
Strafrecht
Hoger beroep
2,002 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002904-22
datum uitspraak: 17 juni 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 april 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-320459-20 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1982,
briefadres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2025.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 oktober 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in haar arm(en) en/of lichaam te knijpen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen haar been en/of lichaam te slaan en/of die [slachtoffer] haar haar door elkaar te schudden en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, te duwen (waardoor die [slachtoffer] op de grond is gevallen en tegen een bed is gekomen).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 oktober 2020 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in haar arm te knijpen en die [slachtoffer] meermalen tegen haar been te slaan en die te duwen waardoor die [slachtoffer] op de grond is gevallen en tegen een bed is gekomen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis. Daarbij heeft zij rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de schending van de redelijke termijn in hoger beroep.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de schending van de redelijke termijn in hoger beroep en met artikel 63 Sr en primair gevraagd een geheel voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen. Subsidiair heeft zij verzocht een lagere taakstraf op te leggen dan die welke in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van de aangeefster, zijn ex-vriendin, die kampt met een lichamelijke beperking. Zij heeft door toedoen van de verdachte pijn en letsel opgelopen. Aldus heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en voor haar een angstige situatie in het leven geroepen. De mishandeling heeft bovendien plaatsgevonden in haar eigen woning, een plek waar zij zich te allen tijde veilig moet kunnen voelen. Het hof neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 mei 2025. Daaruit volgt dat de verdachte in de afgelopen jaren (zij het na het plegen van het onderhavige feit) twee keer onherroepelijk is veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf, ter zake waarvan evenwel telkens vervangende hechtenis is tenuitvoergelegd. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard een zwervend bestaan te leiden en geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben. Gelet op deze omstandigheden acht het hof de oplegging van een taakstraf aan de verdachte niet aangewezen. Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden.
Het hof constateert evenwel met de raadsvrouw dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 7 november 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof pas op 17 juni 2025 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt aldus ruim zeven maanden. Gelet daarop – en in aanmerking genomen dat het om een inmiddels betrekkelijk oud feit gaat – zal het hof voornoemde gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Daarmee beoogt het hof tevens te bewerkstelligen dat de verdachte in de toekomst van het plegen van strafbare feiten wordt weerhouden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 300 Sr.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. E.J Hofstee en mr. T.J. Kelder, in tegenwoordigheid van mr. F. Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 juni 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.