Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-05-27
ECLI:NL:GHAMS:2025:2441
Strafrecht
Hoger beroep
2,381 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002098-24
datum uitspraak: 27 mei 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-166426-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
ten aanzien van de door de rechtbank gebezigde strafmotivering nader overweegt dat het hof ook kennis heeft genomen van het reclasseringsrapport van 28 april 2025, waaruit geen andersluidend advies volgt dan door de deskundigen in eerste aanleg is gegeven;
niet zal meegaan in het verzoek van de advocaat van de benadeelde partij en de vordering van de advocaat-generaal om aan de verdachte een contactverbod op te leggen, nu het hof gelet op de opgelegde straf en maatregel geen noodzaak hiertoe ziet.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 302, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg het gevorderde bedrag aan materiële schade beperkt. De vordering bedraagt daarmee € 9.257,88, bestaande uit € 2.038,88 aan materiële schade en € 7.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.066,43, bestaande uit € 1.066,43 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en ter terechtzitting in hoger beroep het gevorderde bedrag aan materiële schade gematigd, nu de schadepost “HVO Querido” van € 864,56 is komen te vervallen. De vordering bedraagt daarmee in totaal € 8.144,33. Dit bedrag is als volgt samengesteld:
Materiële schade € 1.114,33
eigen risico € 385,00;
telefoon € 248,83;
boeddhabeeld € 29,95;
kattenbak € 32,60;
vaas € 29,99;
plantenbank € 47,95;
LG-televisie € 400,00.
Immateriële schade € 7.000,00
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen.
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het hof is van oordeel dat de schadeposten eigen risico, telefoon, kattenbak en LG-televisie voldoende zijn onderbouwd. De vordering is wat deze materiële schade betreft ook niet betwist en zal worden toegewezen. Het hof is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de schadeposten boeddhabeeld, plantenbak en vaas rechtstreeks verband houden met het onder 2 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 1.066,43, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij fysiek letsel heeft opgelopen in de vorm van forse bloeduitstortingen en verwondingen met (ontsierende) littekens, waaronder een groot blijvend litteken op haar kin, als gevolg. Sinds het gebeuren heeft de benadeelde partij last van heftige migraine aanvallen, pijn aan haar trommelvlies in haar linkeroor, pijn in haar onderrug en onder haar ribben. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 6.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof neemt daarbij in aanmerking de ernst van het feit, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zoals toegelicht ter terechtzitting in hoger beroep en de toegekende schadevergoedingen in vergelijkbare gevallen. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de consultatieversie van de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengelden-bedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Reden tot matiging, zoals door de raadsvrouw verzocht, ziet het hof niet.
Het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal het hof afwijzen, omdat dit de grenzen van de billijkheid te buiten gaat.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.066,43 (zevenduizend zesenzestig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 1.066,43 (duizend zesenzestig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 7.066,43 (zevenduizend zesenzestig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 1.066,43 (duizend zesenzestig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 5 juli 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 mei 2025.
De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.