Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-29
ECLI:NL:GHAMS:2025:225
Strafrecht
Hoger beroep
2,270 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001754-24
datum uitspraak: 29 januari 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 juli 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-143690-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteland] op [geboortedatum] 1994,
[detentieadres]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 25 april 2024 tot en met 26 april 2024, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal om doelmatigheidsredenen worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewijsconstructie komt en een andere straf oplegt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging
Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de invoer van de drugs. Indien het hof zal aannemen dat wel sprake was van wetenschap, dient de verdachte alsnog vrijgesproken te worden omdat geen sprake is van medeplegen. Daarbij is van belang dat uitsluitend gekeken moet worden naar de handelingen van de verdachte die hebben plaatsgevonden vóór de inbeslagname van de cocaïne. Dit maakt dat het gaan naar het hostel met geld niet mag meewerken aan de vaststelling of sprake is van medeplegen. Wat overblijft is de enkele reis van de verdachte naar Nederland met de bedoeling om aan iemand geld te geven, hetgeen onvoldoende is om als medeplegen aan te merken, aldus de raadsman.
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 25 april 2024 vond op de luchthaven Schiphol door de Douane een controle plaats op vlucht [vluchtnummer], komende uit Panama City. Daarbij is een passagier, genaamd [naam 1] (hierna: [naam 1]) gecontroleerd en in zijn koffer is ongeveer 4 kilo cocaïne aangetroffen. [naam 1] is die dag om 13:57 uur aangehouden.
[naam 1] heeft verklaard dat hij 8000 euro als beloning voor het smokkelen zou ontvangen. Hij zou zijn koffer [het hof begrijpt: met de drugs] overdragen in [hostel] in Amsterdam. Blijkens gegevens uit zijn telefoon had [naam 1] een reservering bij [hostel] in Amsterdam. Hij zou, zodra hij in het hostel zou komen, contact opnemen met een ene ‘[naam 2]’ die de contactpersoon in Nederland zou berichten. [naam 1] zou dan de koffer overhandigen aan de contactpersoon die hem dan de 8000 euro zou geven. Vanaf de telefoon van [naam 1] is een berichtje verzonden naar ‘[naam 2]’ inhoudende: “Ik ben aangekomen. Ik ben in kamernummer 18”. Op 25 en 26 april 2024 is de verdachte bij de receptie van [hostel] gekomen en heeft hij naar [naam 1] gevraagd. De verdachte is op 26 april 2024 aangehouden en hij had een envelop met daarin ruim 6.000 euro bij zich.
In de telefoon van de verdachte zijn in de applicatie Sessions berichten aangetroffen met [naam 3]. Op 25 april [het hof begrijpt 2024] stuurt [naam 3] om 8.07 uur het volgende bericht naar de verdachte: “Ik ga naar mijn werk. Maar zet mijn auto bij [naam 4] met geld erin. Zeg wanneer je wakker bent dan zeg ik bij welk bedrijf daar”. De verdachte antwoordt hierop om 9.47 uur met: “Ik dacht dat ik vandaag een afspraak had met [naam 5]”. Waarop [naam 3] reageert met: “ja maar hij had niet genoeg”.
De verdachte is op 25 april 2024 vanuit Helsingborg naar Kopenhagen gegaan en vandaar naar Nederland gevlogen. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij deze reis twee dagen voor zijn vertrek heeft gepland. Hij had 6300 euro bij zich dat hij ging geven aan [naam 1]. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij een deel van dit geld had gekregen van [naam 3] en dat de in de applicatie Session opgenomen berichten zien op het in ontvangst nemen van dit geld.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat van (verlengde) invoer van cocaïne in beginsel alleen sprake kan zijn indien en voor zover de binnen het grondgebied van Nederland gebrachte cocaïne nog niet strafvorderlijk in beslag is genomen. Handelingen die worden verricht nadat de cocaïne in beslag genomen is, kunnen immers per definitie niet meer strekken tot het verdere vervoer en de overdracht van die binnen het grondgebied van Nederland gebrachte cocaïne (HR 17 maart 1998, NJ 1998/515).
Het hof stelt op grond van bovengenoemde feiten vast dat voorafgaande aan het invoeren van de inbeslaggenomen cocaïne door de verdachte en meerdere personen planmatig is samengewerkt. Daarbij was het de rol van de verdachte om op de dag dat de cocaïne naar Nederland werd gesmokkeld naar Nederland te vliegen, de koerier ([naam 1]) voor zijn werkzaamheden te betalen en de cocaïne van hem over te nemen. Gelet op dit planmatige samenwerken en de handelingen die de verdachte heeft verricht, nog voordat [naam 1] als verdachte werd aangehouden en de verdovende middelen in beslag werden genomen, is het hof van oordeel dat de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de invoer van cocaïne. De lezing van de verdachte dat hij om een voetbalwedstrijd te bezoeken naar Nederland was gegaan en, zonder te weten waarom, op verzoek van een vriend geld zou overhandigen aan [naam 1] acht het hof op grond van de genoemde feiten niet geloofwaardig. Daarbij komt dat de verdachte zijn verklaring niet met verifieerbare feiten heeft onderbouwd. Het hof acht daarom vol opzet op het medeplegen van de invoer van cocaïne bewezen. Dat de verdachte feitelijk de cocaïne niet heeft opgehaald omdat die reeds in beslag genomen was, staat aan de bewezenverklaring niet in de weg.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 25 april 2024, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. M.L.M. van der Voet en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch en B. Helling, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 januari 2025.
=
===
[…]