Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-06-03
ECLI:NL:GHAMS:2025:2213
Strafrecht
Hoger beroep
1,641 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001785-24
datum uitspraak: 3 juni 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 13-151422-24 en 13-038920-23 (TUL) tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag ] 1964,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met aftrek.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in de context van een burenruzie schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Door zo te handelen heeft de verdachte bij de aangever gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een ambtenaar in functie door haar ‘racist’ te noemen. Zodoende heeft hij blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en heeft hij deze ambtenaar bovendien in haar eer en goede naam aangetast.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 mei 2025 is hij eerder ter zake belediging van een ambtenaar onherroepelijk veroordeeld. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat in beginsel een straf zoals is opgelegd door de politierechter passend en geboden is.
Ten gunste van de verdachte zal het hof echter rekening houden met de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Zo is hij -naar eigen zeggen- al een jaar gestopt met het drinken van alcohol en het gebruiken van softdrugs en heeft hij één keer per week gesprekken met een psycholoog. Sinds de ten laste gelegde feiten heeft de verdachte geen nieuwe aanvaringen meer gehad met zijn buren en zijn ook geen andere incidenten voorgekomen. Ook is de verdachte voornemens te verhuizen naar een andere woning. In het voorgaande ziet het hof aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Gelet op de ernst van de feiten en nu sprake is van recidive kan evenwel niet worden volstaan met een geheel voorwaardelijk taakstraf, zoals door de raadsvrouw is verzocht.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2024 met parketnummer 13-038920-23 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 25 uren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben respectievelijk gevorderd dan wel verzocht dat de vordering wordt afgewezen en dat de proeftijd wordt verlengd met één jaar, zodat de bijzondere voorwaarden blijven gelden.
Evenals de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof termen aanwezig om de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar te verlengen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2024 met parketnummer 13-038920-23, met een termijn van 1 (één) jaar.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juni 2025.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]