Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-07-03
ECLI:NL:GHAMS:2025:2212
Strafrecht
Hoger beroep
2,916 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001910-24
datum uitspraak: 3 juni 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 augustus 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-151213-24 tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1994,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat het vonnis van de politierechter voor het overige wordt bevestigd.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 2 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meerdere malen slaan en/of stompen (met gebalde vuist) tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] ;
2.hij op of omstreeks 2 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 2] (werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door zich (met kracht) in tegengestelde richting te bewegen en/of zijn handen omhoog te houden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en kwalificatie komt dan de politierechter.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 2 mei 2024 te Amsterdam, [slachtoffer] , heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meerdere malen slaan en stompen (met gebalde vuist) tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer] ;
2.hij op 2 mei 2024 te Amsterdam, zich met geweld en bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door zich (met kracht) in tegengestelde richting te bewegen.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
wederspannigheid.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf en maatregel
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek, waarvan 37 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde heeft de politierechter tevens een contactverbod opgelegd met het slachtoffer [slachtoffer] en een gebiedsverbod voor de woning van het slachtoffer, beiden voor de duur van drie jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft het hof verzocht geen vrijheidsbenemende maatregel op te leggen in de vorm van een contact- of gebiedsverbod.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin door haar meerdere malen tegen haar hoofd te stompen. Aldus heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en een voor haar angstige situatie in het leven geroepen, terwijl de verdachte diegene is bij wie zij zich veilig had moeten kunnen voelen. Zij heeft door toedoen van de verdachte pijn ondervonden. De mishandeling vond bovendien op klaarlichte dag plaats aan de openbare weg, onder het toeziend oog van omstanders en verkeersdeelnemers. Op die manier dragen dergelijke feiten tevens bij aan de gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich te verzetten tegen de verbalisanten tijdens zijn aanhouding. Door zo te handelen heeft de verdachte overlast veroorzaakt en de verbalisanten belemmerd in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 mei 2025 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van geweldsdelicten. Gelet op het voorgaande acht het hof de door de politierechter opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Vanwege het tijdsverloop zal het hof hier echter een proeftijd van twee jaren in plaats van de door de politierechter noodzakelijk geachte termijn van drie jaren aan verbinden.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Daarnaast acht het hof het aangewezen om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 37 (zevenendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboortedatum [geboortedag 2] 1998.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren zich niet zal ophouden binnen een straal van 100 meter van de woning van zijn ex vriendin, mevrouw [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1998.
Laatstelijk bekende zijnde adres [slachtoffer] :
[adres 2]
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het arrest onderworpen is geweest aan een dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juni 2025.
De voorzitter en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]