Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-07
ECLI:NL:GHAMS:2025:2208
Strafrecht
Hoger beroep
2,042 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002400-22
datum uitspraak: 7 april 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-131547-22 tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1961,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 26 mei 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] en/of [benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (op korte afstand) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de richting van de hals, nek en/of hoofd zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 26 mei 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] en/of [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (op korte afstand) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de richting van de hals, nek en/of hoofd zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak
Nu het hof, evenals de advocaat-generaal en de raadsman, niet kan vaststellen dat de verdachte de opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 mei 2022 te Amsterdam, [slachtoffer] en [benadeelde partij] heeft bedreigd met zware mishandeling door (op korte afstand) met een mes zwaaiende bewegingen te maken.
Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar is en dat hij derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Na een botsing en woordenwisseling tussen de verdachte en [benadeelde partij] op het Amstelstation is de verdachte weggelopen. [benadeelde partij] heeft de verdachte achtervolgd waarbij zij heel boos en schreeuwend achter hem is aangelopen. Vervolgens heeft [benadeelde partij] haar vriend [slachtoffer] gebeld en hem gevraagd te komen. [slachtoffer] kwam enkele minuten later en is op de verdachte afgerend omdat hij verhaal wilde gaan halen. De verdachte kon op dat moment nergens naar toe en was volgens zijn eigen verklaring in de veronderstelling – gelet op wat [benadeelde partij] hem had gezegd dat een grotere man zou komen - dat [slachtoffer] gewapend was. Hij heeft daarop uit zijn zak zijn stanleymes gepakt en heeft daarmee gezwaaid om [slachtoffer] en [benadeelde partij] op afstand te houden.
Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie en op een tijdstip waarop waarin hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [benadeelde partij] en [slachtoffer] en dat hij zich daaraan niet kon onttrekken. Het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel vindt het hof in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding en naar het oordeel van het hof is ook voldaan aan de subsidiariteitseis in die zin dat voor de verdachte onder de gegeven omstandigheden geen reële en redelijke mogelijkheid bestond om te vluchten, terwijl van hem ook niet kon worden gevergd dat hij zou vluchten.
Beslag
De verdachte heeft ten overstaan van het hof afstand gedaan van het onder hem inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mes. Gelet hierop hoeft het hof geen beslissing meer te nemen over het mes.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.360,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 310,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
Het hof is van oordeel dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op het eigen aandeel van de aangeefster in het conflict en de omstandigheid dat zij in eerste instantie de agressor was.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. J.H.C. van Ginhoven, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 april 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.