Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-03-18
ECLI:NL:GHAMS:2025:2207
Strafrecht
Hoger beroep
4,126 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002418-22
datum uitspraak: 18 maart 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 augustus 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-033703-22 tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1988,
adres: [adres 1] ).
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 9 februari 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 4000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine
zijnde heroïne en/of cocaïne en/of metamfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op of omstreeks 9 februari 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, (met de uiterlijke verschijningsvorm) van het merk Glock, type 23 austria, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
3.hij op of omstreeks 9 februari 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder registratie een hoeveelheid ketamine, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad en/of heeft bereid en/of ingevoerd en/of afgeleverd en/of uitgevoerd en/of verhandeld.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Vrijspraak feit 2
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het ongeloofwaardig is dat de verdachte tijdens zijn verblijf in de woning van vier á vijf dagen niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de aangetroffen goederen, waaronder het vuurwapen. Dat is aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte, op een plank in de slaapkamer waar hij is aangehouden. Bovendien lagen in diezelfde kamer twee patronen op het tafeltje naast het bed.
Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM) vereist is dat de verdachte het wapen bewust aanwezig heeft gehad. De verdachte moet zich bewust zijn geweest van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of tot de exacte locatie van dat wapen. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Het hof stelt vast dat het tenlastegelegde vuurwapen is aangetroffen in de slaapkamer waar medeverdachte [medeverdachte 1] verbleef. Het vuurwapen lag daar buiten het zicht, in een inbouwkast. De verdachte is weliswaar in die kamer aangetroffen, maar stelt dat ten gevolge van het binnentreden door de politie alle aanwezigen in die kamer terecht zijn gekomen. De verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bevestigen dit. Gelet op deze lezing die niet door de inhoud van het dossier wordt weerlegd en het gegeven dat de verdachte niet de (hoofd)bewoner van het betreffende appartement was, maar enkele dagen in dat appartement verbleef en in de woonkamer sliep, is naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate komen vast te staan dat de verdachte het tenlastegelegde wapen bewust aanwezig heeft gehad, zodat de verdachte van feit 2 zal worden vrijgesproken. De door de advocaat-generaal naar voren gebrachte omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel.
Bewijsoverweging
Feit 1 en feit 3
Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde, omdat de verdachte niet zou hebben geweten van de aanwezigheid van de in de tenlastelegging bedoelde middelen die in het appartement zijn aangetroffen.
Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde aanwezig hebben van verdovende middelen stelt het hof het volgende voorop.
Het aanwezig hebben van verdovende middelen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, Opiumwet, geldt als misdrijf wanneer wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op dat aanwezig hebben. Als dat opzet niet wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard, levert het handelen in strijd met artikel 2, aanhef en onder C Opiumwet een overtreding op.
Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen.
Ter zake van het onder 3 tenlastegelegde zonder registratie in voorraad hebben van ketamine, stelt het hof voorop dat deze gedraging een misdrijf oplevert voor zover zij opzettelijk is begaan. Indien zodanig opzet niet wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard levert de gedraging een overtreding op. Omdat de onderhavige tenlastelegging geen opzet omvat, heeft het hof enkel over de vraag te oordelen of van een overtreding sprake is.
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de bigshopper met heroïne en de rugtas met ketamine al zes dagen in de woning stonden. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij ten tijde van zijn aanhouding al drie tot vier dagen in de woning op de [adres 2] verbleef. De verdachte had daarbij toegang tot alle ruimtes van het huis. Dat de verdachte ook toegang had tot de slaapkamer waar de bigshopper met heroïne en de rugzak met ketamine zijn aangetroffen, blijkt uit het feit dat de verdachte in deze kamer is aangetroffen en aangehouden door verbalisanten. De bigshopper en de rugtas stonden open en bloot in die slaapkamer, op de grond voor de kast.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week.
Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. B.E. Dijkers en mr. T.J. Kelder, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 maart 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
INLEIDING ===
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte gedurende zijn dagenlange verblijf in de woning feitelijk toegang had tot de slaapkamer, en dat de in die slaapkamer in het zicht staande bigshopper met heroïne en de rugzak met ketamine zich aldus binnen zijn machtssfeer bevonden. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van 4 kilogram heroïne (feit 1) en het zonder registratie in voorraad hebben van een hoeveelheid ketamine (feit 3). Met betrekking tot de overige (op verschillende plaatsen verstopte) drugs in het huis, te weten een hoeveelheid cocaïne en een hoeveelheid metamfetamine, kan door het hof niet in voldoende mate worden vastgesteld dat deze zich eveneens bevonden in de machtssfeer van de verdachte, zodat hij van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Anders dan de advocaat-generaal acht het hof het in feit 1 tenlastegelegde (medeplegen van het) opzettelijk aanwezig hebben van de heroïne niet wettig en overtuigend bewezen, nu niet met een voor een bewezenverklaring vereiste voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de heroïne. Dat de bigshopper in de slaapkamer in het zicht stond, leidt niet tot een ander oordeel, gezien de ter zake van feit 2 bij de beoordeling betrokken feiten en omstandigheden omtrent zijn verblijf in het appartement en zijn aanwezigheid in de slaapkamer tijdens de politie-inval.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op of omstreeks 9 februari 2022 te Amsterdam aanwezig heeft gehad ongeveer 4000 gram van een materiaal bevattende heroïne;
3.hij op of omstreeks 9 februari 2022 te Amsterdam zonder registratie een hoeveelheid ketamine in voorraad heeft gehad.
Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid heroïne en het zonder registratie in voorraad hebben van de werkzame stof ketamine. De hoeveelheden en de wijze van verpakking wijzen erop dat deze middelen voor de verdere verspreiding en verkoop bestemd zijn geweest. Heroïne is schadelijk voor de volksgezondheid en bovendien gaat de handel daarin gepaard met allerlei andere soorten van criminaliteit en plegen personen die daarvan afhankelijk zijn niet zelden vermogensdelicten om hun verslaving te kunnen bekostigen. Het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine leidt tot ongecontroleerd bezit en potentieel gebruik van een stof die bestemd is om – onder strikte voorwaarden – als geneesmiddel te worden gebruikt, hetgeen onwenselijk is.
Het hof slaat acht op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht gewaarborgd. Als uitgangspunt in hoger beroep heeft te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden zijn hier niet aan orde. Aangezien het openbaar ministerie op 8 september 2022 hoger beroep heeft ingesteld, is de redelijke termijn met ruim zes maanden overschreden. Gelet op de duur van de op leggen straffen is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Het hof zal een lagere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd, nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt, en het bewezenverklaarde geen misdrijven maar overtredingen oplevert. Wel acht het hof oplegging van onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen aangewezen, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de grote hoeveelheden verboden middelen die de verdachte aanwezig respectievelijk zonder registratie in voorraad heeft gehad en de potentieel schadelijke gevolgen daarvan.
Het hof acht, alles afwegende, hechtenisstraffen van na te melden duur, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 38 van de Geneesmiddelenwet.