Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-08-19
ECLI:NL:GHAMS:2025:2191
Civiel recht, Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,383 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.352.294/01 SKG
zaaknummer rechtbank: C/13/762384 / KG ZA 25-13 IHJK/EB
arrest van de meervoudige familiekamer van 19 augustus 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
appellante,
advocaat: mr. N.D. ’t Zand te Amsterdam,
tegen
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Pinarbasi-Ilbay te Amsterdam.
Procesverloop
1.1
Partijen worden hierna de moeder en de vader genoemd.
1.2
De moeder is bij dagvaarding van 4 maart 2025 in hoger beroep gekomen van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter (hierna: de bestreden beslissing) in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 6 februari 2025, in kort geding gewezen tussen de vader als eiser en de moeder als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven, met daarbij producties.
1.3
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord, met producties 1 t/m 10;
- productie 4 van de zijde van de moeder;
- diverse video- en geluidsopnames van de zijde van de moeder;
- producties 5 t/m 23 van de zijde van de moeder;
- een geluidsopname van de zijde van de moeder;
- productie 24 van de zijde van de moeder;
- productie 11 van de zijde van de vader.
1.4
De moeder heeft geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden uitspraak zal vernietigen en de omgangsregeling stop zal zetten. Subsidiair heeft de moeder geconcludeerd tot het bepalen van de omgang tussen de vader en [minderjarige] op woensdag van 12.00 tot 13.00 uur.
1.5
De vader heeft geconcludeerd tot, uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar hoger beroep, althans naar het hof begrijpt tot afwijzing van de vorderingen van de moeder en tot bekrachtiging van de bestreden uitspraak, met veroordeling van de moeder in de proceskosten.
1.6
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025. Partijen hebben de zaak doen bepleiten door hun advocaten. Mr. ‘t Zand heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen een tijdelijke omgangsregeling overeengekomen. Die afspraak is in een verkort proces-verbaal vastgelegd. De zaak is aangehouden en verwezen naar de rol van 24 juni 2025 voor uitlating door partijen over de stand van zaken in verband met de gemaakte afspraken over de omgang en de door partijen gewenste voortgang van de procedure.
1.7
Daarna zijn de volgende stukken binnengekomen:
- twee aktes van de zijde van de moeder met bijlagen;
- een akte van de zijde van de vader met bijlagen 1 t/m 3.
1.8
Vervolgens is arrest gevraagd.
Feiten
2.1
De volgende feiten zijn in dit geding vast komen te staan. Deze volgen uit de niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen.
2.2
Partijen hebben van januari 2022 tot april 2024 een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren [in] 2023 te [plaats A] . De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] niet erkend. [minderjarige] woont bij de moeder.
2.3
Bij beschikking van 5 december 2024 van de rechtbank Amsterdam is met ingang van die datum een voorlopige omgangsregeling bepaald waarbij de vader [minderjarige] op maandag en vrijdag van 12.00 tot 13.00 uur bij zich heeft. De overdracht vindt plaats bij een door beide partijen gedragen derde ofwel via een instantie zoals bijvoorbeeld Het [X] in [plaats A] .
Beoordeling
3.1
In eerste aanleg heeft de vader, voor zover hier van belang, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- de moeder te veroordelen tot nakoming van de door de rechtbank bij beschikking van 5 december 2024 vastgestelde voorlopige omgangsregeling op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat zij deze veroordeling niet nakomt, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag aan dwangsom;
- de moeder te veroordelen in de proceskosten.
3.2
De moeder heeft het standpunt ingenomen dat de vorderingen van de vader moeten worden afgewezen.
3.3
De voorzieningenrechter heeft in de – in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beslissing de moeder veroordeeld tot nakoming van de omgangsregeling die is vastgelegd in de beschikking van 5 december 2024, op straffe van een dwangsom van € 150,- voor iedere keer dat zij dat niet doet, waarbij de overdracht via de zus van de vader plaatsvindt en het halen en brengen bij helfte tussen de ouders wordt verdeeld. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
3.4
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de moeder met vier grieven op. De vader voert verweer. De grieven van de moeder en het verweer van de vader worden voor zover nodig hierna besproken.
3.5
Het hof stelt voorop dat, gelet op de aard van de voorliggende voorziening en de daarbij geschetste omstandigheden, het spoedeisend belang (aan de zijde van de moeder) gegeven is, hetgeen de vader overigens niet betwist.
3.6
Het hof overweegt voorts als volgt. Het hof is van oordeel dat sinds de bestreden beslissing sprake is van een wijziging van omstandigheden die meebrengt dat de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] tijdelijk moet worden gewijzigd. Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking. Bij de rechtbank is een bodemprocedure aanhangig met betrekking tot de erkenning van [minderjarige] door de vader, in welke procedure ook verzoeken met betrekking tot de omgangsregeling aan de orde zijn. De zitting in de bodemzaak heeft op 1 juli 2025 plaatsgevonden. Een beslissing in de bodemzaak zal naar verwachting na de uitspraak in dit kort geding worden gegeven. Ter zitting in hoger beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de omgangsregeling in de periode vanaf de zitting in hoger beroep totdat partijen nadere afspraken hebben gemaakt of de rechtbank in de bodemzaak een beslissing heeft genomen over de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . Deze afspraak houdt – samengevat – in dat in de hiervoor genoemde periode een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] geldt waarbij zij wekelijks op woensdag van 11.00 tot 13.00 uur omgang met elkaar hebben. De overdracht vindt tussen de ouders plaats bij (de glijbaan in) de speeltuin die zich om de hoek van de woning van de moeder bevindt. Partijen houden elkaar op de hoogte over [minderjarige] via een schriftje. Ter zitting in hoger beroep is met partijen besproken dat deze afspraak in de plaats zal komen van de eerder uitgesproken voorlopige regeling, maar dat deze regeling hoe dan ook slechts een beperkte tijdsduur zal hebben, namelijk tot de beslissing in de bodemzaak wordt gegeven. Na de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen het hof bij de onder 1.7 genoemde aktes laten weten dat zij hun vorderingen handhaven, zodat het hof daarop zal dienen te beslissen.
3.7
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Partijen zijn ongeveer een jaar na de geboorte van [minderjarige] uit elkaar gegaan. Sindsdien is sprake van een verstoorde verstandhouding tussen hen. Als gevolg daarvan hebben zij een aanhoudende (juridische) strijd over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de omgang tussen de vader en [minderjarige] . De afgelopen jaren zijn er periodes geweest waarin geen omgang tussen de vader en [minderjarige] plaatsvond en periodes waarin zij elkaar wel zagen. Dit heeft tot onduidelijkheid voor [minderjarige] geleid. Ten tijde van de zitting in hoger beroep vond sinds april 2025 geen omgang plaats. Uit de stukken van partijen die het hof na de zitting heeft ontvangen blijkt dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] inmiddels weer is opgestart en de afspraak hierover op dit moment wordt uitgevoerd. Het hof acht dit een positieve ontwikkeling. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij omgang heeft met zijn vader. [minderjarige] is nog jong en voor zijn ontwikkeling is het belangrijk dat hij een band opbouwt met zijn vader. De moeder pleit in haar derde grief voor stopzetting dan wel subsidiair wijziging van de omgang omdat zij de omgang met de vader zeer belastend voor [minderjarige] vindt en ziet dat hij daarna emotioneel ontregeld is. Zij ervaart de omgang met de vader als onveilig en wantrouwt hem naar aanleiding van letsel aan [minderjarige] ’ lip, dat zij na de omgang bij hem heeft aangetroffen en voorts vanwege het feit dat [minderjarige] met enige regelmaat ‘papa auw’ zou zeggen. De vader heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens hem verlopen de overdrachtsmomenten zeer positief en hij herkent de zorgen van de moeder niet. De moeder beschuldigt de vader onterecht van mishandeling, aldus de vader. Veilig Thuis heeft geen gevolg gegeven aan de melding van de moeder en heeft geen zorgen over onveiligheid in het contact met de vader. De moeder ziet geen rol voor de vader weggelegd in het leven van [minderjarige] en probeert omgang daarom af te houden.
Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de omgang niet veilig verloopt. De moeder heeft in dit kort geding de zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader niet aannemelijk gemaakt. Ook de oorzaak van het door haar gestelde letsel van [minderjarige] dat op 21 april 2025 zou zijn ontstaan is niet komen vast te staan. Het hof overweegt verder dat voor zover bij [minderjarige] al sprake is van het, volgens de moeder, ontregelde gedrag, niet duidelijk is dat dit veroorzaakt wordt door omgang met de vader. Daarbij valt niet uit te sluiten dat [minderjarige] reageert op de spanningen tussen de ouders die hij meekrijgt. Overigens betreft dit een kort geding procedure en nader onderzoek naar het gedrag van [minderjarige] dan wel het effect van de spanningen tussen de ouders op hem, dient in beginsel plaats te vinden in een bodemprocedure. Tijdens de zitting bij de rechtbank in de bodemzaak is gebleken dat de raad zich daarover zal buigen. Het voorgaande brengt met zich mee dat het hof het in het belang van [minderjarige] acht dat de omgangsregeling zoals deze tussen partijen ter zitting in hoger beroep is afgesproken en is vastgelegd in het verkort proces-verbaal van de zitting van 22 mei 2025 gedurende de bodemprocedure en totdat de rechtbank in die procedure nader heeft beslist wordt voortgezet. Het hof zal deze (tijdelijke) omgangsregeling dan ook aldus vaststellen. Daarbij overweegt het hof dat zijn beslissing het karakter van een ordemaatregel draagt. De regie ten aanzien van de omgangsregeling ligt verder bij de rechtbank, die hierover in de bodemprocedure zal beslissen. Het hof beperkt zich daarom alleen tot de ordemaatregel die nodig is om regelmatig contact tussen de vader en [minderjarige] tot stand te brengen. Grief III van de moeder faalt.
3.8.
In haar eerste grief maakt de moeder bezwaar tegen de beslissing dat de overdrachtsmomenten moeten plaatsvinden via de zus van de vader. Nu gebleken is dat partijen, in het kader van de invulling van de door hen gemaakte afspraak over de tijdelijke omgangsregeling de overdracht samen, zonder tussenkomst van de zus, kunnen regelen, is de overdracht via de zus niet meer nodig en zal deze bij het vastleggen van de regeling in het dictum niet worden opgelegd. In haar vierde grief voert de moeder aan dat de voorlopige omgangsregeling praktisch niet uitvoerbaar is.
Dictum
Het hof:
vernietigt de bestreden beslissing, voor zover het de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vanaf 22 mei 2025 betreft, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat, totdat de rechtbank in de bodemprocedure nader over de omgang heeft beslist, [minderjarige] wekelijks op woensdag van 11.00 tot 13.00 uur omgang met de vader heeft, waarbij de overdracht tussen de ouders plaatsvindt (bij de glijbaan) in de speeltuin die zich om de hoek van de woning van de moeder bevindt;
veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 150,- per keer dat zij voornoemde omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 15.000,-;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden uitspraak voor het overige;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. H.A. van den Berg, mr. M.T. Hoogland, mr. S. van Gestel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2025.