Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-08-19
ECLI:NL:GHAMS:2025:2186
Civiel recht
Hoger beroep
2,205 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.313.013/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/312904 HA ZA 21-72
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 augustus 2025
inzake
[appellant 1]
en [appellant 2],
beiden wonende te [plaats 1] ,
appellanten,
incidenteel geïntimeerden,
advocaat: mr. S.N. Peijnenburg te [plaats 1] ,
tegen
1Restaurant Marmara V.O.F.,
voorheen gevestigd te Amsterdam,
2. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (ook aangeduid als [geïntimeerde 2] ),
beiden wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerden,
incidenteel appellanten,
advocaat: mr. K. Tülü te Alkmaar.
Partijen worden hierna in enkelvoud aangeduid als [appellant 1] , de vennootschap en [geïntimeerde 1] .
1De zaak in het kort
[appellant 1] heeft van [geïntimeerde 1] een horecaonderneming gekocht. [geïntimeerde 1] eist dat [appellant 1] het onbetaald gebleven deel van de koopprijs betaalt. [appellant 1] voert verweer. In een eerder tussenarrest heeft het hof beslissingen gegeven over de meeste geschilpunten en [appellant 1] toegelaten te bewijzen dat hij een door hem gesteld bedrag al contant heeft betaald. In dit eindarrest oordeelt het hof dat het bewijs niet is geleverd.
2Het vervolg van het geding in hoger beroep
In deze zaak is op 26 maart 2024 een tussenarrest uitgesproken. Het hof verwijst daarnaar voor het procesverloop tot die datum.
Op 7 oktober 2024, 20 januari 2025 en 17 maart 2025 hebben getuigenverhoren plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
Partijen hebben daarna een memorie ingediend, eerst [appellant 1] en vervolgens [geïntimeerde 1] .
[appellant 1] heeft bij zijn memorie producties overgelegd.
Ten slotte is weer arrest gevraagd.
3Het vervolg van de beoordeling
3.1.
Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding zijn om terug te komen van beslissingen die in het tussenarrest van 26 maart 2024 zijn gegeven.
3.2.
Het hof voegt hieraan het volgende toe. [appellant 1] stelt dat het hof van zijn ‘beslissing’ moet terugkomen, omdat [geïntimeerde 1] in de procedure ten onrechte heeft gesteld dat het restaurant op 10 juli 2019 is overgedragen, in plaats van op 15 juli 2019, en dat [geïntimeerde 1] dit heeft gesteld om te ontkomen aan het leveren van bewijs dat de schuldverklaring voor € 50.000,- later is ondertekend dan de schuldbekentenis voor € 35.000,-. Waarom de datum van de overdracht van belang is voor een antwoord op de vraag welke van deze twee documenten het laatste is ondertekend, is echter niet duidelijk gemaakt. Beide documenten zijn door partijen ondertekend en gedateerd op 15 juli 2019, evenals de akte van levering. Belangrijker nog is dat het voor de uitkomst van deze zaak niet relevant is op welke datum de overdracht van het restaurant heeft plaatsgevonden en welk document het laatst is ondertekend. Het hof verwijst naar hetgeen in het tussenarrest is opgemerkt in 5.27 en in 5.30. Het enkele feit dat [geïntimeerde 1] in deze procedure ervan uitging dat de overdracht op 15 juli 2019 heeft plaatsgevonden, in overeenstemming met de datering in de door beide partijen ondertekende documenten, rechtvaardigt bovendien niet het oordeel dat [geïntimeerde 1] de waarheidsplicht van art. 21 Rv heeft geschonden en evenmin dat de beslissingen die het hof heeft gegeven, niet in stand kunnen blijven. Het hof blijft daarom bij deze beslissingen.
Contante betaling
3.3.
In het tussenarrest heeft het hof vastgesteld dat [appellant 1] ook volgens zijn eigen verweer een bedrag van € 50.000,- aan [geïntimeerde 1] moest betalen, naast de aanbetaling van € 25.000,-. Volgens [appellant 1] was € 15.000,- van dat bedrag ‘zwart’ en € 35.000,- ‘wit’. Hij heeft verder gesteld dat hij naast de aanbetaling al € 35.000,- contant aan [geïntimeerde 1] heeft betaald (grief 4).
Het hof heeft [appellant 1] toegelaten te bewijzen dat hij, zoals hij stelt, op 10 juli 2019 in het restaurant € 35.000,- aan [geïntimeerde 1] heeft overhandigd. Indien deze betaling komt vast te staan, is de verplichting van [appellant 1] om het bedrag van € 50.000,- te betalen tot een bedrag van
€ 15.000 tenietgegaan.
3.4.
[appellant 1] heeft de volgende getuigen laten horen: [naam 1] , de betrokken bedrijfsmakelaar [naam 2] en [naam 3] . Verder zijn ook [appellant 1] , [appellant 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als getuigen gehoord.
3.5.
De stelling van [appellant 1] is dat de contante betaling heeft plaatsgevonden op de dag waarop het restaurant aan hem is overgedragen.
3.6.
[appellant 1] en zijn echtgenote hebben als getuigen verklaard dat het geld op die dag contant in het restaurant is betaald. [geïntimeerde 1] en zijn echtgenote hebben dit als getuigen tegengesproken. Volgens hen zou [appellant 1] aan het einde van 2019 betalen.
3.7.
De verklaringen van [appellant 1] en zijn echtgenote worden niet of onvoldoende ondersteund door de verklaringen van de andere getuigen.
3.7.1.
De getuige [naam 1] heeft verklaard dat hij € 35.000,- in contanten aan [appellant 1] heeft geleend, maar hij is niet betrokken geweest bij een betaling door [appellant 1] aan een ander.
Over een betaling aan [geïntimeerde 1] kan hij dus niet uit eigen wetenschap verklaren.
3.7.2.
De bedrijfsmakelaar [naam 2] is bij de overdracht aanwezig geweest, maar heeft verklaard dat er niet is gesproken over een betaling en hij herinnert zich niets van een betaling in contanten. Dit spreekt tegen wat [appellant 1] en zijn echtgenote hierover verklaren, namelijk dat de makelaar wist dat er op dat moment moest worden betaald, bij zijn vertrek iets heeft gezegd over het tellen van het geld en (volgens [appellant 1] ) het geld heeft gezien.
3.7.3.
De getuige [naam 3] verklaart dat zij niet in het restaurant is geweest en geen geld heeft gezien. Dit is anders dan [appellant 1] en [appellant 2] hebben verklaard over een buurvrouw [naam 3] (of [naam 3] ) die op een bepaald moment is binnengekomen. De getuige [naam 3] verklaart wel dat zij een keer [appellant 2] voor het restaurant heeft gezien met een envelop en dat [appellant 2] zei dat er geld in de envelop zat. Het is niet duidelijk wanneer dit is geweest en of dit het geld is dat volgens [appellant 1] bij de overdracht is betaald. Het strookt in elk geval niet met de verklaringen van [appellant 1] en [appellant 2] dat het geld voor de overdracht in een zak in een tas zat.
3.8.
Het komt erop neer dat alleen [appellant 1] en [appellant 2] verklaren dat [appellant 1] op 10 juli 2019 in het restaurant € 35.000,- aan [geïntimeerde 1] heeft overhandigd. Dat is niet voldoende om te oordelen dat de betaling is bewezen. Er zijn namelijk geen of te weinig aanknopingspunten om aan te nemen dat de verklaringen van [appellant 1] en [appellant 2] op dit punt betrouwbaarder zijn dan de verklaringen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] - [geïntimeerde 1] . Het hof laat dan nog in het midden dat er merkwaardige tegenstrijdigheden zijn tussen de verklaringen van [appellant 1] en [appellant 2] .
Dictum
Het hof
in principaal en incidenteel hoger beroep:
4.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
4.2.
wijst de in hoger beroep gewijzigde eis van [appellant 1] af;
4.3.
veroordeelt [appellant 1] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] vastgesteld op € 16.754,00;
4.4.
veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant 1] vastgesteld op € 2.213,00;
4.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Honée, W.J.J. Los en T.M. Snoep en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2025.