Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-05-27
ECLI:NL:GHAMS:2025:2166
Strafrecht
Hoger beroep
4,321 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000277-20
Datum uitspraak: 27 mei 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-016911-20 tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 18 januari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk valse en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een verblijfsvergunning van Spanje, voorzien van het nummer [nummer] , op naam gesteld van [verdachte] , heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als waren deze echt en onvervalst.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen. Weliswaar komt het hof tot dezelfde beslissingen als de rechtbank, met uitzondering van de kwalificatie en de strafoplegging, maar het hof moet ook reageren op in hoger beroep gevoerde verweren en de bewijsmotivering behoeft aanpassing. Bij die stand van zaken genereert het (partieel) bevestigen van het vonnis een te weinig overzichtelijk samenstel aan beslissingen en motiveringen.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat sprake is van een schending van een goede procesorde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een frauduleus opgemaakt proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en een vonnis waarin de bewezenverklaring steunt op destijds niet bekende bewijsmiddelen. Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] – dat als bewijsmiddel III in het vonnis is opgenomen – is immers pas op 4 februari 2020, na de zitting in eerste aanleg, bij het openbaar ministerie binnengekomen. Daarnaast is het proces-verbaal van de terechtzitting niet mede door de griffier vastgesteld en ondertekend, omdat de griffier kort na de zitting in eerste aanleg is vertrokken, en betreft het geen correcte weergave van het verhandelde ter terechtzitting. Subsidiair dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging, omdat aan de verdachte – conform de richtlijnen van het openbaar ministerie – een geldboete aangeboden had moeten worden.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet hardgemaakt kan worden dat het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] niet bij de verdediging bekend is geweest ten tijde van de zitting van de politierechter, omdat uit de feuille van de griffier en de – naar aanleiding van de ter terechtzitting van 23 februari 2022 door het hof gestelde vragen – door de politierechter gegeven antwoorden blijkt dat dit proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg is besproken. Er zijn niet bewust stukken achtergehouden. Daarnaast gaat het niet om een vormverzuim gedurende het voorbereidend onderzoek.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat het proces-verbaal van de politierechterzitting is vastgesteld op basis van de door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen. Dat de griffier buiten staat was om dat proces-verbaal mede te ondertekenen, staat volgens vaste jurisprudentie niet in de weg aan de rechtsgeldigheid daarvan.
Zoals door de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 februari 2022 uiteengezet, zijn er aanwijzingen dat in elk geval de officier van justitie ter politierechterzitting al beschikte over het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant] , ondanks dat dat blijkens het voorblad pas op 4 februari 2020 bij het openbaar ministerie zou zijn ingekomen. Op grond van het dossier kan echter niet worden uitgesloten dat de verdediging daar op dat moment niet over beschikte. Uit de zittingsaantekeningen van de griffier blijkt dat de officier van justitie dit stuk bij repliek heeft genoemd, maar niet dat de politierechter de inhoud van dit stuk – zoals in het proces-verbaal ter terechtzitting is vermeld – heeft voorgehouden. Daarnaast kan de politierechter zich niet herinneren of dit stuk aan de raadsvrouw is overgelegd, indien het voor de zitting nog geen deel uitmaakte van het dossier. Het is aldus niet uitgesloten dat het proces-verbaal van de politierechterzitting op dat punt onjuist is, maar dat betekent geenszins dat kan worden vastgesteld dat het proces-verbaal ter terechtzitting opzettelijk onjuist is opgemaakt.
Het hof houdt het ervoor dat in eerste aanleg het dossier niet volledig ter inzage is geweest en een beslissing dus mede is genomen op een niet bij de verdediging bekend processtuk. Dit kan echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging leiden, reeds omdat daarvoor geen wettelijke grondslag zou bestaan. Het primaire verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Voorts overweegt het hof het volgende. In artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Uitzonderlijke gevallen als bedoeld, kunnen zich voordoen bij inbreuken op het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (het verbod van willekeur). De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan ook aan de orde komen als onder specifieke omstandigheden tot dagvaarden is overgegaan in plaats van tot het aanbieden van een transactie overeenkomstig de toepasselijke richtlijnen van het openbaar ministerie.
In de strafvorderingsrichtlijn (Richtlijn voor strafvordering valsheid in geschrift (2015R042)) van het openbaar ministerie is een valse verblijfsvergunning niet apart genoemd, zodat aan de verdachte geen geldboete aangeboden hoefde te worden. Ook het subsidiaire verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Beoordeling
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad om de verblijfsvergunning als echt en onvervalst te gebruiken, en daarmee te misleiden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet heeft geprobeerd beveiligingskenmerken na te maken en de verblijfsvergunning niet heeft willen tonen en niet heeft willen gebruiken ter misleiding. De verdachte heeft direct gezegd dat het om een kopie gaat en dat de verblijfsvergunning is vervallen.
De raadsvrouw heeft – volgens haar pleitnota meer subsidiair – verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt vanwege de omstandigheid dat de verdachte niet zou hebben verklaard dat de verblijfsvergunning is vervallen of vervalst, verbalisant [verbalisant] als getuige op te roepen om haar te vragen in welke taal zij met de verdachte heeft gesproken en welke bewoordingen de verdachte heeft gebruikt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw aangevoerd dat [verbalisant] , nadat de verdachte al had gezegd dat de verblijfsvergunning niet echt was, heeft gesproken over vervalsingskenmerken.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een kopie heeft laten maken van een geannuleerde verblijfsvergunning, met echtheidskenmerken, om aan te kunnen tonen dat hij een geldig verblijf had. Omdat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij de echtheidskenmerken op de verblijfsvergunning heeft laten aanbrengen, is de verklaring van de verdachte – dat hij een kopie had laten maken zodat hij een belastingnummer bij de hand had – ongeloofwaardig.
Oordeel van het hof
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte een valse verblijfsvergunning voorhanden had. Het betrof een volgens de regels uitziend verblijfsdocument van Spanje, voorzien van nagebootste beveiligingskenmerken zoals een ultraviolette beveiliging en een optisch dood substraat.
De verdachte heeft verklaard dat de verblijfsvergunning niet vals is, maar een kopie betreft. Deze kopie heeft hij voor € 50,00 laten maken, omdat zijn belastingcode lang is en hij niet zijn echte document mee wil nemen. Op die manier kan hij zijn belasting en bankzaken doen. Daarnaast is een gewone fotokopie van mindere kwaliteit en gaat deze minder lang mee, aldus de verdachte. Het hof acht deze verklaring niet geloofwaardig. De verdachte heeft niet aannemelijk gemaakt waarom hij – als de verblijfsvergunning alleen met dat doel was gekopieerd – echtheidskenmerken heeft laten aanbrengen. Het hof gaat er daarom vanuit dat hij dit heeft gedaan met de bedoeling om, als daar om gevraagd zou worden, in strijd met de waarheid rechtmatig verblijf in Europa aan te tonen.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de valse verblijfsvergunning opzettelijk voorhanden heeft gehad. Aan de gestelde voorwaarde voor het verzoek tot het horen van verbalisant [verbalisant] is niet voldaan, zodat dit verzoek verder geen bespreking behoeft.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 18 januari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een verblijfsvergunning van Spanje, voorzien van het nummer [nummer] , op naam gesteld van [verdachte] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geschrift bestemd was om gebruik van te maken als was het echt en onvervalst.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een verblijfsdocument een identiteitsbewijs is in de zin van artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De tenlastelegging ziet op artikel 225 Wetboek van Strafrecht (Sr) en niet op artikel 231 Sr, terwijl artikel 231 Sr een specialis vormt ten opzichte van artikel 225 Sr.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat artikel 231 Sr en niet artikel 225 lid 2 Sr van toepassing is, omdat een verblijfsvergunning van landen die deel uitmaken van de Europese Unie een reisdocument is en artikel 231 Sr een specialis vormt ten opzichte van artikel 225 Sr.
Oordeel van het hof
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 225 lid 2 Sr. Volgens de wetsgeschiedenis bij artikel 231 Sr vormt artikel 231 Sr een specialis ten opzichte van artikel 225 Sr. Daarbij is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 55 lid 2 Sr en geldt de regel dat de bijzondere bepaling van artikel 231 Sr de werking van de algemene bepaling van artikel 225 Sr uitsluit.
Bewezen is verklaard dat de verdachte opzettelijk een valse verblijfsvergunning van Spanje voorhanden heeft gehad. Het hof is van oordeel dat een verblijfsvergunning van Spanje kan worden aangemerkt als, kort gezegd, een document waarover een vreemdeling moet beschikken en daarmee als identiteitsbewijs in de zin van artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, dat valt onder de reikwijdte van artikel 231 Sr.
Dit leidt echter niet tot ontslag van alle rechtsvervolging, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd en door de raadsvrouw is bepleit. Het hof is van oordeel dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd onder artikel 231 lid 2 Sr, welke bepaling hetzelfde strafmaximum heeft als artikel 225 lid 2 Sr.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De raadsvrouw heeft meest subsidiair verzocht geen straf of maatregel op te leggen in de zin van artikel 9a Sr. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte door deze zaak veel schade heeft geleden. Hij moest uitreizen naar Pakistan, kon niet meer terug naar Spanje, kan niet meer samenleven met zijn echtgenote, heeft zijn bedrijf moeten sluiten en zijn visum is geweigerd vanwege de uitspraak van de rechtbank. Daarnaast is sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. M.J.A. Plaisier en mr. N. van der Wijngaart, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 mei 2025.
Kamerstukken II 2011/12, 33352, nr. 3, p. 1, 3-6, 14-15 en 19.