Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-28
ECLI:NL:GHAMS:2025:209
Civiel recht
Hoger beroep
6,736 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.315.479/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9312800 EL 21-151
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 januari 2025
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonend te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.
1De zaak in het kort
De echtgenoot van [geïntimeerde] is vier leaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. Deze leaseovereenkomsten zijn door [geïntimeerde] met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In deze procedure vordert [geïntimeerde] onder meer (i) een verklaring voor recht dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en (ii) veroordeling van Dexia tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van deze leaseovereenkomsten is betaald. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. In dit hoger beroep behandelt het hof onder meer de vraag of [bedrijf] gemachtigd was om namens [geïntimeerde] de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling te stuiten en wat de omvang van de terugbetalingsverplichting van Dexia is indien de afnemer na afloop van de leaseovereenkomst de daarop betrekking hebbende aandelen heeft overgenomen van Dexia.
Procesverloop
Dexia is bij dagvaarding van 5 augustus 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 12 mei 2022, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en Dexia als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie;
- memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- akte uitlaten producties tevens houdende memorie van antwoord in incidenteel appel.
Dexia heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties en de eventueel verschuldigde nakosten en tot betaling aan Dexia van een bedrag van € 63.546,04, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2022 tot en met de dag van de algehele voldoening.
[geïntimeerde] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof Dexia in haar hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van Dexia in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten.
[geïntimeerde] heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – Dexia zal veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen de restant hoofdsommen die zijn betaald voor de overname van de aandelen ter zake de leaseovereenkomsten 1, 2 en 4, minus de te verrekenen waardes van de aandelen – zoals uiteengezet in de processtukken –, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van vernietiging, met veroordeling van Dexia in de kosten van beide instanties en de nakosten.
Dexia heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar incidenteel hoger beroep, althans de door [geïntimeerde] aangevoerde tweede grief zal verwerpen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Feiten
De kantonrechter heeft onder 2 van het niet bestreden tussenvonnis van 25 november 2021 vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[persoon 1] , de echtgenoot van [geïntimeerde] (hierna: [persoon 1] ), heeft met (een rechtsvoorgangster van) Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de leaseovereenkomsten). De leaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de leaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer 1]
8-12-2001
WinstVerDriedubbelaar
(verlenging)
36 mnd.
Zonder datum
€ 0,00
2.
[nummer 2]
2-11-2000
Feestplan
120 mnd.
Zonder datum
+ € 228,74
3.
[nummer 3]
15-12-2000
Legio Bespaarplan
60 mnd.
14-12-2005
-/- € 16.859,33
4.
[nummer 4]
18-12-2000
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd.
Zonder datum
€ 0,00
3.2.
[geïntimeerde] , met wie [persoon 1] ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten was gehuwd, heeft [persoon 1] geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de leaseovereenkomsten.
3.3.
Bij brief van 13 december 2005 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [geïntimeerde] met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de leaseovereenkomsten vernietigd.
Beoordeling
4.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van leaseovereenkomsten. [geïntimeerde] heeft tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst haar niet bindt.
4.2.
In dit hoger beroep behandelt het hof – naar aanleiding van de grieven – de vraag of [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) de na de vernietiging op grond van artikel 1:89 BW van de leaseovereenkomsten ontstane vordering uit onverschuldigde betaling namens [geïntimeerde] geldig heeft gestuit en wat de omvang van de terugbetalingsverplichting van Dexia is indien de afnemer, in dit geval [persoon 1] , na het eindigen van de leaseovereenkomst de daarop betrekking hebbende aandelen heeft overgenomen.
Verjaring vordering uit onverschuldigde betaling
4.3.
Dexia heeft een beroep gedaan op de verjaring van de rechtsvordering van [geïntimeerde] uit onverschuldigde betaling. Het hof overweegt als volgt.
De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De leaseovereenkomsten zijn op 13 december 2005 buitengerechtelijk vernietigd door [geïntimeerde] en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van [geïntimeerde] gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR
9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).
4.4.
[geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op de stuitende werking van onder meer de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 die [bedrijf] namens al haar cliënten, waaronder [persoon 1] , en de echtgenoten van de betreffende cliënten, waaronder [geïntimeerde] , aan Dexia heeft gestuurd.
4.5.
Ten aanzien van deze brieven heeft dit hof reeds als volgt beslist (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):
“(…)
De brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”
Dexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering [bedrijf] namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [ Y ] niet in de bijlagen staat.
Voor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [ Y ] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [ X ], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.”
Het hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die het hof aanleiding geven om hierop terug te komen. Dexia betwist in de grieven 1 en 2 in principaal hoger beroep echter dat [bedrijf] gemachtigd was om namens [geïntimeerde] enige verjaring te stuiten en dat in het bijzonder de brief van 27 oktober 2016 op grond van artikel 3:71 BW geen rechtsgevolg heeft gehad.
4.6.
[geïntimeerde] stelt onder meer dat zij in haar opt out-verklaring [bedrijf] volmacht heeft verleend om de verjaring te stuiten. Het hof stelt vast dat Dexia niet (voldoende) betwist dat het opt out-formulier van [geïntimeerde] een volmacht aan [bedrijf] inhoudt. Dat dit formulier Dexia (mogelijk) niet heeft bereikt, doet niet af aan het bestaan van de volmacht (hof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3464, rov. 4.14).
4.7.
Dexia doet nog een beroep op artikel 3:71 lid 1 BW. Op grond van dat artikel kunnen verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in deze bepaling omschreven wijze wordt geleverd. Niet gesteld of gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat [persoon 1] als cliënt van [bedrijf] een volmacht heeft verstrekt aan [bedrijf] om namens hem de verjaring te stuiten en dat [bedrijf] tevens gevolmachtigd was om dit ook namens [geïntimeerde] te doen, zodat ook op die grond ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens [geïntimeerde] is verzonden. De stuitingsbrief van 27 oktober 2016 bouwt hierop voort. De betwisting van de volmacht van [geïntimeerde] aan [bedrijf] , zoals volgens Dexia vervat in haar brief van 31 oktober 2016, hetgeen [geïntimeerde] betwist, doet derhalve niet meer ter zake, want hiermee is door Dexia niet terstond, namelijk onmiddellijk na ontvangst van de brief van 24 januari 2012, om bewijs van haar volmacht gevraagd. Daarna kan op artikel 3:71 lid 1 BW geen beroep meer worden gedaan, nu niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat [bedrijf] de volmacht heeft opgezegd. Na de brief van 27 oktober 2016 is de dagvaarding vervolgens binnen de lopende verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 28 oktober 2016 uitgebracht, namelijk op 28 juni 2021 (hof Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3567, rov. 2.16).
4.8.
Uit het vorenstaande volgt dat [bedrijf] gemachtigd was om namens [geïntimeerde] de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling te stuiten en dat deze verjaring tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia moet worden verworpen. Dit betekent dat de leaseovereenkomsten zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de leaseovereenkomsten is betaald.
Overgenomen aandelen
4.9.
[persoon 1] heeft aan het einde van de leaseovereenkomsten 1, 2 en 4 de daarop betrekking hebbende aandelen van Dexia overgenomen. Vernietiging van de leaseovereenkomsten betekent niet alleen dat Dexia het aan haar uit hoofde van de leaseovereenkomsten betaalde terug dient te betalen, maar in beginsel ook dat [persoon 1] de overgenomen aandelen aan Dexia dient terug te leveren. De kantonrechter heeft op basis van de stellingen van [geïntimeerde] aangenomen dat [persoon 1] de betreffende aandelen reeds heeft verkocht en deze dus niet teruggeleverd kunnen worden. De kantonrechter heeft in rov. 1.4 van het bestreden vonnis overwogen dat dit betekent dat bij het bepalen van het bedrag dat door Dexia dient te worden gerestitueerd rekening gehouden moet worden met de verkoopopbrengsten van de leaseovereenkomsten. Voorts heeft de kantonrechter in rov. 1.7 overwogen dat uit de door [geïntimeerde] in de loop van de procedure overgelegde gegevens en toelichting met betrekking tot de verkoopwaarde van de aandelen niet valt te herleiden wat deze verkoopwaarde is geweest.
Conclusie
4.18.
Uit het vorenstaande volgt dat de grieven van Dexia in het principaal hoger beroep falen. Grief I in het incidenteel hoger beroep van Voorwaarde behoeft gezien het voorgaande geen bespreking. Grief II in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt gedeeltelijk. Het vonnis waarvan beroep zal deels worden vernietigd.
4.19.
De door Dexia ingestelde restitutievordering van al hetgeen zij op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan ad in totaal € 63.546,04 met 2 juni 2022 als ingangsdatum van de wettelijke rente is door [geïntimeerde] niet bestreden, zodat deze zal worden toegewezen.
4.20.
Dexia zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, uitsluitend voor zover Dexia daarbij is veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 36.013,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2005;
en opnieuw rechtdoende;
veroordeelt Dexia om aan [geïntimeerde] te betalen al hetgeen aan Dexia uit hoofde van de leaseovereenkomsten is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2006 tot aan de dag van algehele voldoening, waarbij Dexia in verrekening mag brengen de verkoopopbrengst van de aandelen die voorwerp waren van de leaseovereenkomsten 1, 2 en 4, zoals berekend conform hetgeen is overwogen in rov. 4.16;
veroordeelt [geïntimeerde] om aan Dexia te betalen een bedrag van € 63.546,04, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2022 tot aan de dag van algehele voldoening;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden begroot op € 783,00 aan verschotten, € 2.213,00 voor salaris in het principaal hoger beroep, € 1.106,50 voor salaris in het incidenteel hoger beroep en op € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, de eerste drie genoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, J.W.M. Tromp en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.
Beoordeling
Nu [geïntimeerde] de verkoopwaarde niet heeft aangetoond, leidt dat er volgens de kantonrechter toe dat Dexia ten aanzien van de leaseovereenkomsten 1, 2 en 4 geen restschuld hoeft terug te betalen.
4.10.
Met haar derde grief in het principaal hoger beroep richt Dexia zich tegen de conclusie die uit het oordeel van de kantonrechter getrokken kan worden, namelijk dat zij wél de door [persoon 1] betaalde inleg dient terug te betalen. Dexia concludeert dat [geïntimeerde] geen bewijs heeft geleverd van het moment van verkoop van de aandelen en de verkoopwaarde daarvan en stelt dat op grond van de heersende jurisprudentie het niet leveren van bewijs van de verkoopopbrengst van de aandelen voor risico van de wederpartij van Dexia komt, zodat Dexia in dat geval niet gehouden is tot vergoeding van de restschuld en de door de afnemer betaalde inleg. Het bedrag aan verkoopopbrengst wordt immers geacht maximaal gelijk te zijn aan het door Dexia verschuldigde bedrag bij vernietiging van de leaseovereenkomst. Dexia verwijst ter onderbouwing naar eerdere uitspraken van dit hof waarin dezelfde kwestie aan de orde was.
4.11.
Het hof acht in het betoog van Dexia een verzoek als bedoeld in artikel 3:53 lid 2 BW besloten. Op grond van dit artikel kan de rechter, indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, desgevraagd aan een vernietiging geheel of ten dele haar werking ontzeggen. De rechter kan aan een partij die daardoor onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting opleggen tot een uitkering in geld aan de partij die benadeeld wordt. Zoals uit het hierna overwogene volgt, neemt het hof als vaststaand aan dat [persoon 1] de overgenomen aandelen heeft verkocht, zodat reeds ingetreden gevolgen van de vernietiging van de leaseovereenkomsten wat betreft teruglevering van de aandelen bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden. Daarin ziet het hof voldoende aanleiding om [geïntimeerde] te verplichten de waarde van de overgenomen aandelen aan Dexia te betalen in plaats van de aandelen zelf aan Dexia terug te geven. De waardering van de aandelen is afhankelijk van het moment van uitlevering. Als de aandelen zijn uitgeleverd vóórdat de leaseovereenkomsten werden vernietigd, zoals hier het geval is, is de waardering afhankelijk van het moment van verkoop. Indien de aandelen werden verkocht nadat de leaseovereenkomst is vernietigd, moet uitgegaan worden van de waarde van de aandelen op het moment van vernietiging. Zijn de aandelen verkocht vóór de vernietiging, dan moet de verkoopopbrengst worden gehanteerd.
4.12.
Het is aan [geïntimeerde] om bewijsstukken van de verkoop van de aandelen in het geding te brengen, zodat op voldoende verifieerbare wijze kan worden vastgesteld tot welk bedrag Dexia zich op verrekening kan beroepen. Het betreft stukken die zich in het domein van [geïntimeerde] bevinden en waartoe Dexia geen toegang heeft. Dexia is geheel afhankelijk van de medewerking van [geïntimeerde] . Indien niet op voldoende verifieerbare wijze kan worden vastgesteld wat de verkoopopbrengst van de aandelen is geweest, komt dat voor rekening en risico van [geïntimeerde] . Het is vaste rechtspraak van dit hof dat in dat geval de werkelijke verkoopopbrengst geacht moet worden (maximaal) gelijk te zijn aan het door Dexia verschuldigde bedrag, zodat na verrekening voor Dexia niets te betalen resteert (onder andere ECLI:NL:GHAMS:2019:2389, rov. 2.5). Dexia merkt terecht op dat dit betekent dat zij in een dergelijk geval zowel de restschuld als de inleg niet hoeft terug te betalen. Dit kan haar echter in deze zaak niet baten, omdat het hof van oordeel is dat op grond van de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte stukken op voldoende verifieerbare wijze kan worden vastgesteld wat de verkoopopbrengst van de overgenomen aandelen is geweest. Hierop ziet grief II in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] .
4.13.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aan de hand van een overzicht van de mutaties op de effectenrekening van [persoon 1] (productie 11 bij conclusie van repliek) uiteengezet wat er met de overgenomen aandelen is gebeurd. Het hof is van oordeel dat uit het mutatieoverzicht en de toelichting van [geïntimeerde] in voldoende mate kan worden afgeleid wanneer de overgenomen aandelen zijn verkocht en tegen welke waarde. Dexia heeft een en ander onvoldoende gemotiveerd betwist. Ten aanzien van de aandelen Ahold, ABN AMRO, KPN en Philips en de certificaten ING voert Dexia aan dat de door [persoon 1] verkochte aandelen telkens meer en andere aandelen bevatten dan de enkel door hem bij beëindiging overgenomen aandelen en dat derhalve niet kan worden vastgesteld uit welke aandelen de verkochte pakketten precies bestonden. Dit wordt echter niet nader onderbouwd door Dexia, behalve voor wat betreft de aandelen KPN. Ten aanzien van deze aandelen heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof echter terecht aangevoerd dat [persoon 1] op de datum van overname (10 januari 2005) geen andere aandelen KPN (meer) bezat. [persoon 1] heeft volgens het mutatieoverzicht in de periode tussen 23 november 2001 en 3 november 2003 in totaal 964 aandelen KPN gekocht en deze vervolgens allemaal op 9 december 2003 verkocht. Daarna heeft [persoon 1] op 11 december 2003 1.000 aandelen KPN gekocht en op 14 december 2004 weer verkocht. Tot de dag van overname van de 113 aandelen (10 januari 2005) hebben er geen transacties in aandelen KPN meer plaatsgevonden. Na 10 januari 2005 heeft [persoon 1] meerdere malen aandelen KPN gekocht. Na de laatste aankoop op 4 augustus 2020 had [persoon 1] in totaal 2.226 aandelen KPN, die hij allemaal op 11 maart 2021 heeft verkocht. Uit het mutatieoverzicht kan volgens het hof derhalve niet anders volgen dan dat de op 10 januari 2005 overgenomen 113 aandelen KPN deel uitmaakten van het pakket van 2.226 aandelen dat op 11 maart 2021 is verkocht.
4.14.
Ten aanzien van de overige aandelen onderbouwt Dexia haar betwisting van hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd zoals gezegd niet. De enkele stelling dat de door [persoon 1] verkochte aandelen méér en andere aandelen bevatten dan enkel de overgenomen aandelen leidt volgens hof niet zonder meer tot de conclusie dat de overgenomen aandelen dus geen onderdeel uitmaakten van het verkochte pakket. Dat zou naar het oordeel van het hof eerder in het omgekeerde geval voor de hand liggen, indien het verkochte pakket minder aandelen zou bevatten dan de overgenomen aandelen. Dan zou immers niet uitgesloten kunnen worden dat er aandelen achtergebleven zijn bij [persoon 1] , waaronder mogelijk de overgenomen aandelen. Daarvoor bestaat hier evenwel geen aanwijzing. Een en ander betekent dat naar het oordeel van het hof de daadwerkelijke verkoopopbrengst van de overgenomen aandelen kan worden vastgesteld.
4.15.
Met haar tweede incidentele grief vordert [geïntimeerde] daarnaast nog dat Dexia veroordeeld wordt om de restant hoofdsommen die zijn betaald voor de overname van de aandelen met betrekking tot de leaseovereenkomsten 1, 2 en 4 terug te betalen, verminderd met de te verrekenen waardes van de aandelen. Het hof gaat er van uit dat [geïntimeerde] hiermee bedoelt dat Dexia gehouden is tot vergoeding van de zogenoemde fictieve restschuld, die bestaat uit het verschil tussen het bedrag dat [persoon 1] heeft moeten betalen voor de uitlevering van de aandelen en de waarde van de aandelen op dat moment. Het is echter vaste rechtspraak van dit hof (laatstelijk ECLI:NL:GHAMS:2022:540, rov. 3.6) dat deze fictieve restschuld niet voor vergoeding door Dexia in aanmerking komt. Het ontstaan van deze fictieve restschuld kan niet als een gevolg worden toegerekend aan enige gedraging van Dexia, maar vloeit geheel voort uit de eigen, onverplichte keuze van de afnemer, in dit geval [persoon 1] , om de aandelen die voorwerp waren van de leaseovereenkomsten af te nemen.