Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-05-01
ECLI:NL:GHAMS:2025:2082
Strafrecht
Hoger beroep
8,949 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002329-23
datum uitspraak: 1 mei 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-324440-22 (zaak A), 13-047143-22 (zaak B) en 13-051515-20 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1999,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman, de reclasseringswerker van Inforsa en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 13-047143-22 onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:
Zaak A (parketnummer 13-324440-22):
hij op of omstreeks 11 december 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk: BBM, model: Olympic 38, kaliber: .22 knal omgebouwd naar .22 Long Rifle) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten drie, in elk geval een of meer patro(o)n(en) (kaliber: .22 Long Rifle, merk: CCI) voorhanden heeft gehad;
Zaak B (parketnummer 13-047143-22):
1.hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 februari 2022 tot en met 12 februari 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door de (toegangs)deur van zijn woning (gevestigd aan de [adres] ) van binnenuit op slot te draaien en/of (vervolgens) de sleutel van voornoemd slot te verstoppen en/of bij zich te houden en/of voornoemde (toegangs)deur met een stoel te barricaderen en/of de telefoon van voornoemde [slachtoffer] af te pakken en/of bij zich te houden en/of voornoemde [slachtoffer] vast te binden met duct tape, terwijl voornoemde [slachtoffer] zich op dat/die moment(en) in voornoemde woning bevond;
2.hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 februari 2022 tot en met 12 februari 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn ex-vriendin, [slachtoffer] , heeft mishandeld door eenmaal of meermalen
- ( met beide handen) de nek/keel van voornoemde [slachtoffer] dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of
- een kussen op het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te drukken en/of gedrukt te houden en/of
- te slaan en/of te stompen in/tegen het gezicht en/of de arm(en) en/of de/het be(e)n(en), in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of
- met een riem, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp, te slaan tegen de voet(en) en/of te(e)n(en), in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof tot een (iets) andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-324440-22 en in de zaak met parketnummer 13-047143-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
Zaak A:op 11 december 2022 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk: BBM, model: Olympic 38, kaliber: .22 knal omgebouwd naar .22 Long Rifle) zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten twee patronen (kaliber: .22 Long Rifle, merk: CCI) voorhanden heeft gehad;
Zaak B:1.in de periode van 11 februari 2022 tot en met 12 februari 2022 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door de toegangsdeur van zijn woning (gevestigd aan de [adres] ) van binnenuit op slot te draaien, voornoemde toegangsdeur met een stoel te barricaderen, de telefoon van voornoemde [slachtoffer] af te pakken en bij zich te houden en [slachtoffer] vast te binden met duct tape, terwijl voornoemde [slachtoffer] zich op dat moment in voornoemde woning bevond;
2.op tijdstippen in de periode van 11 februari 2022 tot en met 12 februari 2022 te Amsterdam zijn ex-vriendin, [slachtoffer] , heeft mishandeld door
- met beide handen de nek/keel van voornoemde [slachtoffer] dicht te knijpen en
- te slaan tegen het gezicht, de armen en de benen en
- met een hard voorwerp te slaan tegen de voeten van voornoemde [slachtoffer] .
Hetgeen in de zaak met parketnummer 13-324440-22 en in de zaak met parketnummer 13-047143-22 onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak met parketnummer 13-324440-22 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het in de zaak met parketnummer 13-047143-22 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.
Het in de zaak met parketnummer 13-047143-22 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf en maatregelen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Conclusie
Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden, de GVM en het contact- en locatieverbod, noodzakelijk.
Beslag
Onder de verdachte zijn in zaak A de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- I STK wapen (G6274666);
- 3 STK munitie (G6274671).
De advocaat-generaal en de raadsman hebben het hof verzocht conform de rechtbank te beslissen over het beslag.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat deze voorwerpen moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat met het wapen en de munitie het in zaak A bewezenverklaarde is begaan en deze
voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het bezit daarvan zonder de benodigde vergunning in
strijd is met de wet.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.404,47, bestaande uit € 404,47 materiële- en € 5.000,00 immateriële schade. Daarnaast heeft de benadeelde partij € 50,80 als proceskosten gevorderd voor reis- en parkeerkosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.847,66. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor de rest van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een afwijkend bedrag door aanvullende proceskosten te vorderen. De vordering bestaat uit de volgende posten:
Materiële schade:
Eigen risico ziektekosten: € 325,37
Reiskosten (kilometervergoeding medisch): € 80,10 (bestaande uit 242,7 km x € 0,33)
Immateriële schade: € 5.000,00
Proceskosten: € 75,80 (bestaande uit € 50,80 + € 25,00 aanvullende reis- en parkeerkosten in hoger beroep)
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.
De raadsman van de verdachte heeft het hof, ten aanzien van de materiële schadevergoeding, verzocht het eigen risico toe te wijzen tot een bedrag van € 254,14. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om de immateriële schadevergoeding te matigen zoals de rechtbank dat heeft gedaan. Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de proceskosten geen rechtstreekse schade zijn en dat de benadeelde partij er niet voor in aanmerking komt omdat zij door een advocaat wordt bijgestaan in het strafproces.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 337,24. Het hof stelt vast dat ten aanzien van het eigen risico alleen de kosten ter hoogte van € 257,14 (het openstaande bedrag van het eigen risico op 12 februari 2022) het rechtstreeks gevolg zijn van de strafbare feiten. Daarnaast acht het hof de reiskosten, een bedrag van € 80,10, voor medische behandelingen bij de psycholoog voor toewijzing vatbaar.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde getraumatiseerd is en tot op heden nog steeds angstig is voor de verdachte. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Gelet op de onderbouwing van het lichamelijk en geestelijk letsel, acht het hof het gevorderde bedrag van € 5.000 billijk.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Proceskosten
De gevorderde proceskosten betreffen reis- en parkeerkosten in verband met de bezoeken aan het politiebureau, de rechtbank en het gerechtshof. Deze kosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sr. Bovendien zijn, gelet op het bepaalde in artikel 238, eerste en tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bezien in samenhang met artikel 239 Rv, deze kosten niet toewijsbaar, aangezien de benadeelde partij op de zitting is bijgestaan door een gemachtigde advocaat. De gevraagde vergoeding van deze kosten wordt afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr opleggen, om te bevorderen dat de schade door de verdachte zal worden vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 38, 38a, 38v, 38w, 38z, 55, 57, 63, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2020 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd en de raadsman heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen omdat toewijzing gezien de oplegging van de tbs-maatregel niet opportuun is.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-047143-22 onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-324440-22 en in de zaak met parketnummer 13-047143-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-324440-22 en in de zaak met parketnummer 13-047143-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
- Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.
- Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan
aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te
helpen bij het naleven van de voorwaarden.
- Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
- Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.
- Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
- Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
- Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die
contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.
Meewerken aan time-out:
Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out
worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
Niet naar het buitenland:
Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
Opname in een zorginstelling:
Veroordeelde wordt verplicht om zich op 2 mei 2025 om 11.00 uur te laten opnemen en zich te laten behandelen in de Forensisch Psychiatrische Kliniek [plaats 1] , afdeling [afdeling] , waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, zolang de reclassering dat in overleg met die instelling nodig acht. Indien nodig werkt de veroordeelde mee aan plaatsing in een andere kliniek.
Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Ambulante behandeling:
Veroordeelde laat zich behandelen door een Forensisch Fact-team of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang:
Veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen
door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Drugsverbod:
Veroordeelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Alcoholverbod:
Veroordeelde gebruikt geen alcohol en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest)
om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak
veroordeelde wordt gecontroleerd.
Contactverbod:
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de aangeefster in de
huidige zaak, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Dagbesteding:
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Meewerken aan schuldhulpverlening:
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Inzicht in sociaal netwerk:
Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn sociaal netwerk.
Geeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.
Bepaalt dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidinhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren zich niet zal ophouden in [plaats 2] en [plaats 3] en voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2003).
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.
Inleiding
Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld onder de voorwaarden die in het reclasseringsadvies van 3 oktober 2024 zijn genoemd, en gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (verder afgekort als: GVM) als genoemd in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd. Tot slot heeft de advocaat-generaal de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel gevorderd in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr, per overtreding te vervangen door 1 week hechtenis.
De raadsman heeft het hof verzocht aan te sluiten bij de straf die in eerste aanleg is opgelegd. Daarnaast heeft de raadsman het hof verzocht een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, met verwijzing naar het Pro Justitia rapport van 4 juli 2024 en het reclasseringsadvies van 3 oktober 2024.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een revolver en munitie. Hiermee is een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen ontstaan. De ervaring leert dat het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie kan leiden tot het gebruik daarvan. Ook veroorzaakt dit gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van zijn ex-vriendin. De verdachte heeft het slachtoffer met deze agressieve en gewelddadige handelingen angst aangejaagd, pijn gedaan en belemmerd in haar persoonlijke bewegingsvrijheid. De verdachte heeft daarmee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens het slachtoffer op indringende wijze naar voren gebracht wat de gevolgen voor haar zijn geweest van het handelen van de verdachte. Zij heeft nog altijd last van psychische klachten, is als gevolg van de gebeurtenissen in een andere stad gaan wonen uit angst om de verdachte tegen te komen en heeft tot op heden nachtmerries waarin de verdachte voorkomt.
Persoon van de verdachte
In het Pro Justitia rapport opgesteld door M.M. Sprock, psychiater, en S.A. Moonen, psycholoog, van 4 juli 2024 komen de deskundigen tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken. Verder is sprake van een stoornis in gebruik van cannabis en cocaïne, beide in langdurige remissie.
Ten aanzien van het wapenbezit (zaak A) hebben de deskundigen zich onthouden van het geven van advies over de toerekenbaarheid.
Met betrekking tot zaak B is het, volgens de deskundigen, aannemelijk dat met de ontstane dynamiek met het slachtoffer op de achtergrond, factoren vanuit de persoonlijkheidsstoornis
(wantrouwen, prikkelbaarheid, krenkbaarheid en moeite om zijn woede te beheersen) een rol kunnen
hebben gespeeld in het handelen van de verdachte. Hij zou ten tijde van het tenlastegelegde onder invloed zijn geweest van zowel cocaïne als softdrugs, wat mogelijk ontremmend heeft gewerkt. De deskundigen adviseren, op basis van het voorgaande, om de gebeurtenissen in zaak B in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het hof houdt hier bij de strafoplegging rekening mee.
Het hof is van oordeel van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Terbeschikkingstelling
Bij de beoordeling van de vordering om de verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden en een GVM op te leggen, heeft het hof – naast de verklaring die de reclasseringswerker [persoon] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd – gelet op de over de verdachte uitgebrachte multidisciplinaire Pro Justitia rapportage van 4 juli 2024 en het reclasseringsadvies van 3 oktober 2024.
Zoals hiervoor in het kader van de toerekenbaarheid is overwogen, blijkt uit de Pro Justitia rapportage dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken.
Door de deskundigen van de Pro Justitia rapportage wordt het recidiverisico als matig-hoog ingeschat voor soortgelijke geweldsfeiten (zaak B). Uit het rapport blijkt dat sprake is van persoonlijkheidspathologie waardoor de verdachte al geruime tijd disfunctioneert, zowel maatschappelijk als in relationeel opzicht. De verdachte toont geen inzicht in zijn problematiek en zijn probleembesef is beperkt aanwezig. De verdachte is ongrijpbaar en vatbaar voor krenking. De verdachte beschikt over weinig effectieve copingsvaardigheden, verdraagt zijn frustraties moeilijk en zijn inpulsregulatie schiet op momenten te kort waardoor hij (verbaal) agressief kan reageren. De deskundigen adviseren een klinische behandeling in een forensische kliniek (beveiligingsniveau 3) gericht op het behandelen van de persoonlijkheidsstoornis. Op deze manier wordt de kans op recidive in de toekomst verkleind.
Ondanks het geringe probleembesef bij de verdachte (wat deels de functie lijkt te hebben om zijn zelfbeeld en eigenwaarde hoog te houden) wordt door de deskundigen verwacht dat dit in een constructieve behandelrelatie voldoende kan worden bewerkt om vervolgens de onderliggende persoonlijkheidsproblematiek te kunnen behandelen. De deskundigen schatten in dat een tbs-maatregel met voorwaarden kans van slagen heeft, ook omdat de verdachte zelf heeft aangegeven (al dan niet uit opportunistisch motief) daarvoor open te staan.
De reclassering adviseert in het rapport van 3 oktober 2024 een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. De reclassering acht, conform de adviezen van de psycholoog en psychiater, een (klinische) behandeling noodzakelijk. Een tbs-maatregel met voorwaarden wordt haalbaar en uitvoerbaar geacht. De reclassering heeft een aantal voorwaarden geadviseerd die bij de tbs-maatregel met voorwaarden gesteld kunnen worden en adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid hiervan, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is. De reclassering adviseert verder de oplegging van een GVM, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de reclasseringswerker en opsteller van het reclasseringsadvies van 3 oktober 2024, [persoon] , het rapport nader toegelicht. Zij gaf aan dat de voorwaarden met de verdachte zijn doorgenomen en dat de verdachte heeft gezegd bereid te zijn mee te werken aan de voorgestelde voorwaarden.
Inleiding
[persoon] heeft de keuze voor een tbs-maatregel met voorwaarden kritisch overwogen, en hoewel de haalbaarheid van de voorwaarden niet kan worden gegarandeerd, krijgt de verdachte van de reclassering een kans, gelet op zijn jonge leeftijd en het feit dat zijn vatbaarheid voor krenking inherent is aan zijn diagnose. Bovendien zal de klinische behandeling de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de maatregel voldoende ondervangen. Bij brief van 17 april 2025 heeft de Forensisch Psychiatrische Kliniek ( [kliniek] ) [plaats 1] meegedeeld dat per 2 mei 2025 een opnameplek beschikbaar is voor de verdachte op de afdeling [afdeling] . Zodoende kan de verdachte direct na de uitspraak starten met een klinische behandeling.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof verenigt zich met de conclusies van de verschillende deskundigen ten aanzien van de diagnose, de mate van toerekenbaarheid, de inschatting van het recidiverisico en de noodzaak tot klinische behandeling en neemt deze over.
Het hof acht oplegging van de tbs-maatregel nodig omdat bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Er is sprake is van een door de verdachte begaan misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van een tbs-maatregel.
De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aanvankelijk weinig zelfkritisch vermogen getoond. Daarna heeft hij meer openheid van zaken gegeven over zijn gedragingen tijdens de vrijheidsberoving van het slachtoffer en daarover zijn spijt betuigd. Ondanks het feit dat de verdachte heeft aangegeven dat hij, anders dan in eerste aanleg, wil meewerken aan een tbs-maatregel met voorwaarden, heeft het hof twijfels over de haalbaarheid hiervan. De deskundigen en de reclassering zijn unaniem in hun adviezen over een tbs-maatregel met voorwaarden, mede gelet op de leeftijd van de verdachte en het feit dat hij niet eerder klinisch is behandeld. Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat de verdachte het voordeel van de twijfel kan worden gegeven en zal daarom een tbs-maatregel met voorwaarden opleggen, conform de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging. Het gevaar dat de verdachte kan vormen voor de maatschappij wordt voldoende ingeperkt door hem in eerste instantie in een (langdurige) klinische setting voor zijn persoonlijkheidsstoornis te behandelen. Daarin is voorzien in de door de reclassering opgestelde voorwaarden. De reclassering is bereid zich in het kader van een tbs-maatregel in te spannen, indien de door die instantie opgestelde en in het maatregelrapport vermelde voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd en hier toezicht op uit te oefenen. Het hof zal de door de reclassering gestelde voorwaarden aan de terbeschikkingstelling verbinden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De tbs-maatregel met voorwaarden wordt dadelijk uitvoerbaar verklaard, conform het advies van de reclassering en zoals gevorderd door de advocaat-generaal. Zonder behandeling is de kans op recidive en letsel hoog. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte – zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) ex artikel 38z Sr
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder de door de deskundigen geadviseerde klinische behandeling van de verdachte binnen een forensische setting, is het hof van oordeel dat de reële kans aanwezig is dat het recidiverisico na afloop van de tbs-maatregel nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen.
Het hof is van oordeel dat het noodzakelijk is om de verdachte de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na de tbs-maatregel, indien dat dan nodig blijkt, onder toezicht te stellen, zodat het risico op recidive wordt verkleind. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. Aan de verdachte wordt immers de tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd en oplegging van de GVM is naar het oordeel van het hof in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen.
Contact- en locatieverbod ex artikel 38v Sr
Het hof ziet daarnaast aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen als stok achter de deur ter voorkoming van herhaling van soortgelijke strafbare feiten als in zaak B. Deze maatregel zal inhouden een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de duur van 5 jaren. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat en de maatregel dient ertoe te leiden dat de verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw contact te zoeken met het slachtoffer. Daarbij merkt het hof op dat de omstandigheid dat een tbs-maatregel met voorwaarden wordt opgelegd dit niet anders maakt, nu dit niet de mogelijkheid uitsluit dat de verdachte op enigerlei wijze contact kan opnemen met het slachtoffer.