Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-17
ECLI:NL:GHAMS:2025:2074
Strafrecht
Hoger beroep
2,895 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001347-24
datum uitspraak: 17 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-245635-23 en 13-159124-24 en 23-001386-22 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
thans gedetineerd in [detentieadres] , locatie [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsvrouw, de reclasseringswerker van Leger des Heils en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
Overwegingen
zich zal uitlaten over de vordering van de advocaat-generaal om een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen en daar een beslissing op zal nemen.
Overweging ten aanzien van de strafoplegging
TBS-maatregel met dwangverpleging
Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank in het vonnis waarvan beroep, neemt die over en merkt in aanvulling daarop nog het volgende op.
In het maatregelenrapport van de reclassering van 10 januari 2025 is ‘gematigd positief’ geadviseerd over de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een TBS-maatregel met voorwaarden. De reclassering constateert namelijk een verandering in de motivatie van de verdachte, hij heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een TBS-maatregel met voorwaarden.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft mevrouw [persoon] , reclasseringsmedewerker, het rapport nader toegelicht. Zij gaf aan dat de verdachte erkent hulp nodig te hebben en zegt bereid te zijn mee te werken aan de voorgestelde voorwaarden. Mevrouw [persoon] merkte daarbij op dat zij niet kan uitsluiten dat deze motivatie deels voortkomt uit de procespositie van de verdachte, die mogelijk is geschrokken van de bij vonnis opgelegde TBS-maatregel met dwangverpleging. Hoewel mevrouw [persoon] de haalbaarheid niet kan garanderen, krijgt de verdachte van de reclassering het voordeel van de twijfel.
Het hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een TBS-maatregel met voorwaarden.
Hoewel de verdachte – anders dan in eerste aanleg— nu stelt gemotiveerd te zijn zich te houden aan de voorgestelde voorwaarden, is het hof van oordeel dat een dwangkader noodzakelijk is. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de verdachte slechts een minimaal ziekte inzicht heeft en dat hij niet intrinsiek gemotiveerd is voor een behandeling. Het hof betrekt voorts bij haar afweging de voorgeschiedenis van de verdachte, die al jarenlang hulpverlening en zorg krijgt. Gebleken is dat de verdachte weliswaar goede bedoelingen presenteert en zich zou openstellen voor hulp, maar dat hij niet in staat is zich daar structureel aan te conformeren, terwijl dat voor het tot aanvaardbare proporties terugbrengen van het recidivegevaar wel noodzakelijk is. De verdachte heeft zeer veel moeite met het reguleren van zijn emoties, hij is wantrouwend en voelt zich constant onveilig. De verdachte wordt snel boos en reageert met dreiging of agressie op tegenslagen, ook richting hulpverleners. Uit het Pro Justitia rapport blijkt bovendien dat het, gelet op de aard van zijn problematiek, te weten: een cognitieve beperking in de vorm van zwakbegaafdheid of een lichte verstandelijke beperking, een persoonlijkheidsstoornis met paranoïde en borderline persoonlijkheidskenmerken, een stoornis in het gebruik van cannabis en een ongespecificeerde trauma gerelateerde stoornis, moeilijk is om een behandelrelatie met de verdachte op te bouwen. Het hof schat – het voorgaande afwegende – in dat het voor de verdachte niet haalbaar zal zijn om zich langdurig te houden aan de voorgestelde voorwaarden bij een TBS-maatregel met voorwaarden.
Daarnaast is uit recente informatie van de PI waar de verdachte verblijft, gebleken dat de verdachte in januari 2025 een positieve urinecontrole had en dat er in februari 2025 hasj in zijn cel is aangetroffen. Het hof vindt dit zorgwekkend en afdoen aan het vertrouwen in het naleven van voorwaarden door de verdachte. Ook het gegeven dat de verdachte geen volledige openheid van zaken heeft willen geven over de bewezen verklaarde feiten draagt niet bij aan een beeld van een verdachte die schoon schip wil maken en met alles wat hij in zich heeft een nieuwe start wil maken en zich daarbij wil conformeren aan alles wat daarvoor vereist is.
Tevens heeft het hof acht geslagen op de justitiële documentatie van de verdachte waarop geweldsdelicten staan, in onderhavige zaak is de verdachte naast bedreiging tevens veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen, hetgeen het hof ook zorgen baart.
Tegen de achtergrond van de ernst van de feiten, de overwegingen van de gedragsdeskundigen en al het hierboven overwogene, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen onvoldoende gegarandeerd is bij een TBS-maatregel met voorwaarden. Het hof acht het daarom onverantwoord om te volstaan met een behandeling in een minder stringent kader dan in dat van de TBS-maatregel met dwangverpleging.
Maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking 38z
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als genoemd in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd.
Het hof ziet – anders dan de advocaat-generaal – onvoldoende aanleiding om een 38z-maatregel aan de verdachte op te leggen. Bestaande risico’s ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid worden naar het oordeel van het hof voldoende ingeperkt met de TBS met dwangverpleging. Het hof zal de vordering op dit punt dus afwijzen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 358,00 aan vergoeding van materiële schade en
€ 2.830,00 aan vergoeding van immateriële schade. De vordering is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 358,00 aan materiële schade, voor het overige is de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 358,00 aan vergoeding van materiële schade voor de kosten van de beschadiging van de deur en € 500,00 aan vergoeding van immateriële schade. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van de benadeelde partij de vordering nader toegelicht. Mevrouw [benadeelde partij] is bij de huisarts geweest, zij ervaart spanningen ten gevolge van de ten laste gelegde bedreiging. De huisarts zou de benadeelde partij hebben doorverwezen naar de praktijkondersteuner GGZ. Ook ontvangt zij hulp van maatschappelijk werk en de gemeente.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partij kan toewijzen.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat zij zich niet kan vinden in het verzoek tot vergoeding van immateriële schade, vanwege de familiaire relatie: het is wrang dat een moeder geld van haar eigen zoon vraagt. De benadeelde partij schrijft dat zij wil dat de verdachte hulp krijgt, maar de verdediging begrijpt niet dat hier financiële gevolgen aan moeten worden verbonden. Bij toewijzing zou hooguit een symbolisch bedrag moeten worden toegekend.
Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen.
Vergoeding van materiele schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A. onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat verdachte schade heeft toegebracht aan de deur van de benadeelde partij ten tijde van de bedreiging. Aangeefster heeft dit verklaard en de verbalisanten die ter plaatse zijn gekomen hebben schade aan de deur gezien.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-245635-23 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 358,00 (driehonderdachtenvijftig euro) ter zake van materiële schade.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-245635-23 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 358,00 (driehonderdachtenvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 september 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.S. Ludwig, mr. H.A. van Eijk en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 april 2025.