Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-17
ECLI:NL:GHAMS:2025:2073
Strafrecht
Hoger beroep
5,296 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000187-24
datum uitspraak: 17 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-057846-23 en 13-165981-20 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1984,
adres: [adres 1]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
de zevende zin van de tweede alinea op pagina 5 (beginnend met “Verbalisanten [verbalisant]” en eindigend met “pauze houdt”) niet overneemt;
de derde alinea op pagina 5 vanaf de zesde zin (beginnend met “De route van” en eindigend met “dan 70 meter breed is”) niet overneemt;
de woorden “en 31” in de conclusie in de vierde alinea op pagina 5 niet overneemt.
Oplegging van straf en maatregel
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank een contactverbod met de aangeefster en haar ouders en een locatieverbod voor het adres van de aangeefster als bijzondere voorwaarden opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel gevorderd in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht (Sr), per overtreding te vervangen door twee weken hechtenis, en gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij, evenals de rechtbank, in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich er schuldig aan gemaakt zijn vier kinderen voor een periode van ruim twee jaar bij hun moeder weg te houden. De kinderen waren bij aanvang van de pleegperiode respectievelijk drie, vijf, acht en negen jaar oud. De oudste twee kinderen, die in Nederland naar school gingen, zijn weggerukt uit hun vertrouwde omgeving. De kinderen hebben op jonge leeftijd, in een cruciale fase van hun ontwikkeling, hun moeder twee jaar moeten missen. Terwijl de kinderen hun moeder moesten missen, heeft zij ook belangrijke jaren van de jonge levens van haar kinderen gemist. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens het slachtoffer, op indringende wijze naar voren gebracht wat de impact van de ontvoering voor haar en de kinderen is geweest. Zij ging in die periode iedere dag naar bed met angst en een gevoel van leegte.
Ouderlijk gezag omvat zowel het recht als de plicht van de ouder om zijn of haar kind op te voeden en te verzorgen. Het belang van het kind staat hierin centraal. De verdachte heeft met zijn handelen niet alleen het slachtoffer het recht op uitoefening van het ouderlijk gezag ontnomen, maar ook de belangen van zijn eigen kinderen geschonden. Het hof rekent verdachte dit zwaar aan.
De verdachte heeft daarnaast een gedragsaanwijzing overtreden door zich op te houden bij de woning van het slachtoffer. Zij heeft hierdoor angst en overlast ervaren.
Het hof gaat, evenals de rechtbank, ervan uit dat de intenties van verdachte met de kinderen goed zijn. De verdachte lijkt echter een tunnelvisie te hebben als het gaat om hoe hij in het belang van zijn kinderen handelt, waardoor hij verkeerde keuzes maakt. Hij bijt zich vast in zijn eigen gelijk en verliest de realiteit uit het oog. Hij lijkt ook niet te beseffen dat kinderen in een loyaliteitsconflict kunnen komen door strijd tussen de ouders, met alle (geestelijke) gevolgen voor de kinderen van dien. In ieder geval hebben zijn strijdbare houding en daaruit voortvloeiende handelingen richting de moeder van de kinderen niet het effect wat hij beoogt, namelijk een belangrijke en positieve rol als vader in het leven van de kinderen. In tegendeel: op dit moment heeft verdachte al geruime tijd geen enkel contact met de kinderen. Het is voor hem (maar ook in het belang van de kinderen) te hopen dat verdachte er in de toekomst in slaagt om zich minder eisend en constructiever op te stellen tegenover het slachtoffer en de kinderen.
Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 maart 2025 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Bij de op te leggen straf ligt de nadruk op de kinderontvoering. In de richtlijn voor strafvordering van het Openbaar Ministerie voor onttrekking minderjarige aan het wettig gezag is voor internationale kinderontvoering een gevangenisstraf tussen de 6 maanden en 4 jaren aangegeven, waarbij het uitgangspunt voor een first offender bij ontvoering van één kind naar het buitenland een gevangenisstraf van 24 maanden is. Strafmaat beïnvloedende factoren zijn onder meer de leeftijd van de minderjarige, de duur van onttrekking en het onttrekken van meerdere minderjarigen. Het hof is van oordeel dat het voorgaande een hogere straf dan de rechtbank heeft opgelegd rechtvaardigt. Gelet op de emotionele beladenheid van de situatie voor de verdachte en zijn onmacht om adequaat te handelen ziet het hof termen voor een straf die lager is dan de richtlijn van het Openbaar Ministerie en de vordering van de advocaat-generaal.
Alles afwegende, gelet op de aard en ernst van de feiten, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren onder oplegging van bijzondere voorwaarden passend en geboden is. Deze bijzondere voorwaarden houden een contactverbod met mevrouw [slachtoffer] en de kinderen in, en een locatieverbod rondom de woning van mevrouw [slachtoffer] . Het hof zal bepalen dat van het contactverbod kan worden afgeweken ten behoeve van het maken van afspraken in het kader van de omgangsregeling met de kinderen, na uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en/of de Raad voor de Kinderbescherming.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Contactverbod:
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 1986), [persoon 1] (geboren op [geboortedag 3] 2011), [persoon 2] , (geboren op [geboortedag 4] 2012), [persoon 3] (geboren op [geboortedag 5] 2015) en [persoon 4] (geboren op [geboortedag 6] 2017), zolang Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (de reclassering) dit noodzakelijk acht.
Van het contactverbod kan worden afgeweken ten behoeve van het maken van afspraken in het kader van de omgangsregeling met de kinderen, na uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en/of de Raad voor de Kinderbescherming. Het contact vindt in dat geval enkel plaats:
- onder begeleiding dan wel regie van genoemde instanties;
- op een door genoemde instanties bepaalde locatie;
- voor een door genoemde instanties bepaalde duur.
- Locatieverbod:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden binnen een straal van 250 meter van de woning gelegen aan: [adres 2] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-165981-20 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.489,70 (twintigduizend vierhonderdnegenentachtig euro en zeventig cent) bestaande uit € 2.989,70 (tweeduizend negenhonderdnegenentachtig euro en zeventig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot een bedrag van € 179,98 (honderdnegenenzeventig euro en achtennegentig cent).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-165981-20 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.489,70 (twintigduizend vierhonderdnegenentachtig euro en zeventig cent) bestaande uit € 2.989,70 (tweeduizend negenhonderdnegenentachtig euro en zeventig cent) materiële schade en
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 januari 2024.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige.
Wijst af de vordering strekkende tot gevangenneming van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. R.A. Boon, en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 april 2025.
Inleiding
Het contact vindt in dat geval enkel plaats:
- onder begeleiding dan wel regie van genoemde instanties;
- op een door genoemde instanties bepaalde locatie;
- voor een door genoemde instanties bepaalde duur.
Het hof acht deze bijzondere voorwaarden noodzakelijk om de verdachte ervan te doordringen dat hij zich dient te onthouden van het zoeken van contact met de aangeefster en de kinderen en ter voorkoming van het opnieuw plegen van soortgelijke feiten.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Contact- en locatieverbod ex. 38v Wetboek van Strafrecht
Het hof ziet geen aanleiding om aan de verdachte tevens een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, bestaande uit een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod (met betrekking tot haar woonadres) omdat het hieraan ten grondslag liggende recidivegevaar reeds door de toegewezen bijzondere voorwaarden wordt gemitigeerd en voorts een eventuele toekomstige omgangsregeling met de kinderen via instanties daarmee moeilijk te verenigen is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 184a en 279 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding in zaak A (handelen in strijd met een gedragsaanwijzing) en in zaak B (onttrekking aan het ouderlijk gezag). In zaak A bedraagt de vordering € 3.889,00 bestaande uit materiële schade, en € 25.000,00 bestaande uit immateriële schade. In zaak B bedraagt de vordering € 3.129,00 bestaande uit materiële schade, en € 125.000,00 bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft de immateriële schadevergoeding in zaak A toegewezen tot een bedrag van € 500,00, en in zaak B heeft de rechtbank de immateriële schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor de rest van de vordering niet-ontvankelijk verklaard in beide zaken.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, voor een afwijkend bedrag. De advocaat van de benadeelde partij heeft de nieuwe vordering ter terechtzitting nader toegelicht, waarbij de kosten die zien op de belaging niet langer worden gevorderd en de toekomstige verhuiskosten zijn ingetrokken. Daarnaast is de immateriële schadevergoeding in zaak B voor de benadeelde partij [slachtoffer] verhoogd en ten opzichte van de kinderen verlaagd. Ook is er een huisartsenfactuur toegevoegd aan de vordering, die ziet op kosten (€ 179,98) die door de benadeelde partij zijn gemaakt om medische informatie te krijgen voor deze strafzaak. De vordering bestaat uit de volgende posten:
Zaak A:
Materiële schade:
1. Uberritten
€ 957,86
2. Onkostenvergoeding voor de vader van [slachtoffer] voor het brengen naar en ophalen van school van de kinderen
€ 2.784,00
3. Voordeurbel met camera
€ 260,00
4. Ring Video Deurbel voor de moeder van [slachtoffer]
€ 49,99
5. Verborgen camera voor de moeder van [slachtoffer]
€ 63,99
6. Beveiligingscamera voor de moeder van [slachtoffer]
€ 33,95
Totaal:
€ 4.149,79 materiële schade
Immateriële schade: € 2.000,00 voor [slachtoffer] , en € 1.000,00 per kind (4x). Totaal: € 6.000,00 immateriële schade
Zaak B:
Materiële schade:
1. Kosten voor het vertalen van processtukken van de rechtszaak in Marokko
€ 1.960,20
2. Kosten voor rechtsbijstand voor de rechtszaak in Marokko
€ 769,50
Totaal:
€ 2.729,70 materiële schade
Immateriële schade:€ 30.000 voor [slachtoffer] , € 20.000,00 per kind (4x). Totaal: € 110.000,00 immateriële schade
De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van zaak A op het volgende standpunt gesteld. De benadeelde partij dient voor de kosten voor de aanschaf van camera’s niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit zijn namelijk kosten die deels betrekking hebben op de moeder van [slachtoffer] zijn en deels zijn deze goederen al in maart 2022 aangeschaft. De gemaakte reiskosten die door de vader van [slachtoffer] en haarzelf zijn gemaakt hebben betrekking op de belaging waardoor de benadeelde partij voor deze post niet kan worden ontvangen. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de advocaat-generaal gevorderd dat een totaal bedrag van € 2.500,00 dient te worden toegewezen. Ten aanzien van zaak B heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard met betrekking tot de kosten voor het vertalen van processtukken wegens gebrek aan motivering. De immateriële vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van €25.000,00.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de causaliteit ontbreekt, omdat de benadeelde partij ook kosten vordert die zijn gemaakt in de periode voor de tenlastegelegde onttrekking aan het ouderlijk gezag.
Het hof overweegt als volgt.
Zaak A:
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 260,00. Deze voordeurbel met camera heeft de benadeelde gekocht als veiligheidsmaatregel. De overige materiele schadeposten staan in verband met de in eerste aanleg tenlastegelegde belaging, waarvoor de verdachte is vrijgesproken. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in de overige kosten niet worden ontvangen en kan zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A, onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde getraumatiseerd is en tot op heden nog steeds angstig is voor de verdachte. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer.