Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-01
ECLI:NL:GHAMS:2025:2069
Strafrecht
Hoger beroep
4,442 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002040-22
datum uitspraak: 1 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-060068-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1989,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd-, en met dien verstande dat het hof:
- de bewijsoverweging van de rechtbank vervangt met de hierna volgende overweging en
- de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aanvult in een aanvulling op dit arrest indien beroep in cassatie wordt ingesteld.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal gerekwireerd dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De raadsman heeft, conform zijn pleitaantekeningen in hoger beroep, vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde. De raadsman heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van de politieagenten. Daartoe heeft hij allereerst aangevoerd dat in onderliggend dossier informatie over de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij dit type auto’s, de gereden snelheden en overige omstandigheden ontbreekt. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet bewust was dat zich een aanmerkelijke kans voordeed op zwaar lichamelijk letsel, en dat de verdachte de aanmerkelijke kans ook niet bewust heeft aanvaard.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van het primair tenlastegelegde: poging doodslag
Niet is gebleken dat de verdachte de intentie (volle opzet) heeft gehad om de politieagenten van het leven te beroven. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt immers niet op te maken dat de verdachte doelgericht of doelbewust op de politieagenten is ingereden. Evenmin blijkt uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de politieagenten ten gevolge van zijn handelen zouden komen te overlijden.
Het hof zal de verdachte daarom, evenals de rechtbank, vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde: poging zware mishandeling
Aan het hof ligt de beantwoording van de vraag voor of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van de politieagenten. Het hof kan uit de verklaringen van de verdachte zijn directe opzet niet afleiden. De vraag blijft over of er bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
Voorwaardelijk opzet is aanwezig wanneer de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het zwaar lichamelijk letsel bij de politieagenten zal intreden.
Kader voorwaardelijk opzet
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
Omstandigheden van het geval
Uit de stukken in het dossier, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, stelt het hof vast dat de verdachte in de avond van 8 mei 2021 omstreeks 22.10 uur als bestuurder van een auto op de Stadhouderskade in Amsterdam reed. Het was op dat moment donker en er was weinig verkeer op de weg. De verdachte stuurde op een gegeven moment, in een rechte lijn, naar de voor hem linker rijstrook, de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer en reed op een daar rijdende, herkenbare politieauto af. De politieauto werd bestuurd door [verbalisant 1], die zag dat de auto van de verdachte niet slingerde en recht en strak op de politieauto afreed. De politieauto reed ongeveer 45 à 50 kilometer per uur. Dit gebeurde plotseling en snel, waardoor de politieauto geen kans had om uit te wijken. De verdachte is vervolgens frontaal op de politieauto gebotst. Uit een voertuigonderzoek van de Fiat Panda die de verdachte bestuurde, blijkt dat de verdachte met een snelheid van 58 kilometer per uur tegen de politieauto aan reed. Voorts blijkt uit het onderzoek dat er vlak voor/ten tijde van de aanrijding geen gas- of rempedaal werden bediend in de auto van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, op het moment dat hij de stuurbeweging richting de politieauto maakte, bij zijn nek werd gegrepen door [verdachte] waardoor hij niet meer bij het rempedaal kon komen.
Het hof constateert dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat in de door hem bestuurde auto is gebeurd op het moment dat hij richting de politieauto reed. De verklaring inhoudende dat hij toen bij zijn nek werd gegrepen is voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht. In het dossier en in eerdere verklaringen van de verdachte zijn geen aanwijzingen te vinden die deze (nieuwe) verklaring ondersteunen; integendeel, daaruit blijkt namelijk dat de verdachte niet slingerend, maar in een rechte lijn gereden heeft. Om die reden acht het hof deze verklaring van de verdachte niet aannemelijk geworden.
Aanmerkelijke kans
Het hof is van oordeel dat het frontaal botsen op een tegemoetkomende auto met een snelheid van 58 kilometer per uur, naar algemene ervaringsregels, een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel voor de inzittenden oplevert. Met die snelheid, in het donker op een hem tegemoet rijdende auto inrijden, terwijl de tegenligger niet bedacht is op een dergelijke onverhoedse manoeuvre en daardoor zelf daarop niet kan anticiperen of reageren, maakt de inzittenden van beide auto’s naar algemene ervaringsregels heel kwetsbaar, ongeacht het type auto. De impact, fysiek en mentaal, kan groot zijn. Daarbij kan gedacht worden aan een whiplash, breuken en ander (zwaar) lichamelijk letsel.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. W.F. Groos en mr. M.M.H.P. Houben, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2025.
mrs. A.W.T. Klappe en M.M.H.P. Houben zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Het hof betrekt hierbij dat er na de botsing sprake was van spierletsel en zichtbare onderhuidse bloeduitstortingen op de borstkas bij beide politieagenten, terwijl bij een van de agenten een posttraumatische stressstoornis is geconstateerd. Niet is vereist dat in de onderhavige zaak zwaar lichamelijk letsel is ontstaan: vereist is de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Het hof meent dat hiervan sprake is.
Bewustheid
De verdachte heeft de beslissing genomen om van weghelft te wisselen bij het zien van de politieauto. Hij heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat de politie zou reageren als hij plotseling op een andere weghelft zou rijden, omdat hij dan niet volgens de regels zou hebben gereden. Hij heeft tevens verklaard dat hij de aandacht van de politie wilde trekken omdat hij bang was en bedreigd werd en wilde vluchten. Het hof is van oordeel dat hieruit blijkt dat de verdachte bewust was van de risico’s van zijn rijgedrag.
Bewuste aanvaarding
Aan het hof ligt vervolgens voor ter beantwoording de vraag of door de verdachte deze kans ten tijde van de gedraging bewust is aanvaard (op de koop toe is genomen).
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij voor het ongeluk in paniek was, omdat hij dacht dat hij ontvoerd werd. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij, vanwege zijn paniek, niet aan andere mogelijkheden heeft gedacht om aandacht van de politie te trekken. Hij zou uit instinct hebben gehandeld. Voorts heeft de verdachte aangegeven dat hij onbekend was met de omgeving in Amsterdam.
De verdachte reed met een hoge snelheid in het donker in een omgeving waar hij niet bekend was, terwijl hij kennelijk in een paniektoestand verkeerde. Het hof is van oordeel dat deze omstandigheden juist aanleiding voor hem hadden moeten zijn om met een verhoogde voorzichtigheid, onder meer door zijn snelheid te verlagen, te rijden. Echter, zonder zijn rijgedrag aan te passen heeft de verdachte vervolgens de keuze gemaakt om plotseling van weghelft te wisselen en met – gelet op de omstandigheden en de door hem gestelde gemoedstoestand – aanmerkelijke snelheid in een rechte lijn op de politieauto in te rijden.
Het hof is van oordeel dat er minder ingrijpende alternatieven voorhanden waren om de aandacht van de politie te trekken dan frontaal tegen de politieauto te botsen. Zo had de verdachte kunnen seinen met groot licht, kunnen toeteren naar de politie, of zijn voertuig op zijn eigen weghelft tot stilstand kunnen brengen binnen het zicht van de politie.
Gelet op de voorgaande omstandigheden en de aard van de gedraging is het hof van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm uitsluitend gericht is geweest op het koste wat het kost aandacht trekken van de politie. De verdachte heeft daarbij bewust de gevolgen van zijn rijgedrag op de koop toe genomen. Het gegeven dat de verdachte onmiddellijk na het ongeluk is gevlucht, geen hulp heeft gezocht bij de politie, zich ook de dag na het ongeval niet bij de politie heeft gemeld, maar direct Nederland heeft verlaten, draagt bij aan deze overtuiging.
Oplegging van straffen
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden.
De raadsman heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een eventuele gevangenisstraf gelijk te stellen aan het gedeelte van de voorlopige hechtenis welke hij reeds heeft ondergaan. Daarnaast heeft de raadsman het hof verzocht geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen, omdat de verdachte zijn rijbewijs voor zijn werk nodig heeft. Tot slot heeft de raadsman het hof verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende meegewogen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling van twee politieagenten. Hij is
op de openbare weg recht op de politieauto afgereden en frontaal op de politieauto gebotst. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat zij twee schijnende koplampen recht op zich af zag komen; verbalisant [verbalisant 1] zag dat de personenauto recht en met volle vaart op hen afreed en frontaal op de politieauto klapte. Zij heeft de aanrijding ervaren als een aanslag op haar leven en dat van haar collega. Zoals blijkt uit de in hoger beroep door [verbalisant 1] voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring, heeft het ongeval grote gevolgen gehad voor haar. Zij kampt als gevolg van het ongeluk t met slaap- en concentratieproblemen en dat heeft direct invloed op haar werk- en privéleven. Zij heeft een behandeling gehad voor posttraumatische stressklachten en tot op heden heeft zij nog steeds last van concentratieproblemen en moet dagelijks rekening houden met de nasleep van het ongeluk. Met dit handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de politieagenten aangetast en een gebrek aan respect getoond voor de politieambtenaren. Ook heeft de verdachte de politieambtenaren in hun veiligheidsgevoel ernstig aangetast.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 maart 2025 is hij in Nederland niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De redelijke termijn is aangevangen op 9 maart 2022, de dag dat de verdachte in verzekering is gesteld. Het vonnis van de rechtbank dateert van 29 juli 2022. Namens de verdachte is op 29 juli 2022 hoger beroep ingesteld. De zaak is in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 1 april 2025. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, is er sprake van een overschrijding van deze termijn in hoger beroep van 8 maanden. Gelet op het tijdsverloop zal het hof de op te leggen straf om die reden matigen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het hof houdt bij de aftrek van het voorarrest ook rekening met de tijd die de verdachte in Portugal in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, zodat de verdachte niet meer in detentie terug hoeft.
Omdat de verdachte het bewezenverklaarde met een personenauto heeft gepleegd, acht het hof daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Daarbij heeft het hof betrokken dat de verdachte heeft aangegeven zijn rijbewijs nodig te hebben voor zijn werk, de tijd die inmiddels is verstreken sedert het bewezen verklaarde feit, en het feit dat door de verdachte sedertdien geen nieuwe feiten zijn gepleegd.