Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-03-20
ECLI:NL:GHAMS:2025:2064
Strafrecht
Hoger beroep
2,030 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000648-24
datum uitspraak: 20 maart 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2024 in de strafzaak onder parketnummers
13-064190-24 en 01-324838-20 (TUL) tegen
[verdachte 1]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1999,
adres: [adres].
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd –, en met dien verstande dat het hof de
bewijsoverweging op p. 9 (laatste alinea) en p. 10 (eerste en tweede alinea) vervangt door de navolgende overweging;
het gedeelte in de strafmotivering (de vierde tot en met de achtste alinea) waarin het verweer van de raadsman wordt besproken met betrekking tot een vermeend onherstelbaar vormverzuim dat zou moeten leiden tot strafvermindering niet overneemt, nu dit verweer in hoger beroep niet is gevoerd en het hof geen reden ziet om ambtshalve op dit punt in te gaan;
de toepasselijke wetsartikelen aanvult met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat er geen wegnemingshandeling door de verbalisanten is waargenomen. De verbalisanten hebben slechts geconstateerd dat de verdachte en de medeverdachte achter de aangever liepen en dat de verdachte zijn rechterhand terughaalde. Er is niet gezien dat de verdachte iets in zijn hand had of dat een telefoon aan de medeverdachte werd overgedragen. Volgens de raadsman sluit de uiterlijke verschijningsvorm van de handeling van de verdachte aan bij het alternatieve scenario waarin de verdachte en de medeverdachte de telefoon op de grond hebben gevonden. Voorts heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Uit het dossier blijkt immers niet dat de telefoon is overgedragen of dat er enige vorm van onderlinge afstemming heeft plaatsgevonden.
Het hof overweegt als volgt.
Op 23 februari 2024 werden de verdachte en de medeverdachte op basis van hun gedrag door verbalisanten in burger gekleed rond de Dam in Amsterdam geobserveerd. Hun gedrag, met name het zij-aan-zij lopen met de armen in elkaar gehaakt en het gelijktijdig kijken in de richting van de heupen van voorbijgangers, wekte het vermoeden op dat de verdachte en de medeverdachte zakkenrollers waren. De verbalisanten zagen hoe de verdachte en de medeverdachte dichter bij een groepje personen (onder wie de aangever) kwamen, waarna de verdachte voorover boog en iets door zijn knieën ging. De verbalisanten konden de hand van de verdachte niet zien omdat die voor zijn lichaam was. De verbalisanten zagen vervolgens dat de verdachte zijn rechterhand terugtrok van de rechterzijde van de aangever en in zijn rechterjaszak deed. Na daarop te zijn aangesproken door de verbalisanten gaf de aangever aan dat zijn Iphone 15 plus met een doorzichtig hoesje gestolen was. Uit de aangifte blijkt voorts dat de aangever zijn telefoon tot dat moment in zijn rechter broekzak had opgeborgen.
De medeverdachte rende weg op het moment dat hij door de verbalisanten werd gesommeerd te blijven staan en gooide een telefoon op de grond. Deze telefoon werd door de aangever herkend als de zijne en kon door hem met de pincode worden ontgrendeld. Tijdens de insluitingsfouillering van de verdachte werd in zijn rechter jaszak een doorzichtig telefoonhoesje aangetroffen, dat ook werd herkend door de aangever en paste om zijn telefoon.
Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat op basis van de voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van de telefoon. Weliswaar hebben de verbalisanten de wegnemingshandeling zelf niet (goed) kunnen zien, maar de wel waargenomen gedragingen van de verdachte en de medeverdachte in combinatie met het vervolgens weggooien van de telefoon door de medeverdachte en het voorhanden hebben van bijpassend doorzichtig telefoonhoesje door de verdachte, kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachten in een nauwe en bewuste samenwerking de telefoon hebben gestolen, waarbij de verdachte de telefoon aan de medeverdachte moet hebben overgegeven.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 27 januari 2021 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie dagen met een proeftijd van twee jaren. In eerste aanleg is deze vordering door de rechtbank afgewezen omdat de relevante betekeningsstukken in het dossier ontbraken.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting verzocht de vordering af te wijzen omdat de voorwaardelijke straf inmiddels is geëxecuteerd.
Het hof zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 27 januari 2021, parketnummer 01-324838-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, nu deze reeds geëxecuteerd is.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging, met parketnummer 01-324838-20.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. C.J. van der Wilt en mr. L.I.M. van Bergen, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 maart 2025.