Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-03-07
ECLI:NL:GHAMS:2025:2057
Strafrecht
Hoger beroep
1,896 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001469-24
datum uitspraak: 7 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-128052-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] op [geboortedag] 1967,
[detentieadres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
de kopjes ‘beoordeling van het bewijs’ en ‘strafbaarheid van de verdachte’ van de rechtbank vervangt met de navolgende overweging en bespreking van het beroep op psychische overmacht en de strafbaarheid van de verdachte;
de strafmotivering aanvult met de bespreking van een in hoger beroep gevoerd strafmaatverweer.
Bewijsoverweging en bespreking van het beroep op psychische overmacht en de strafbaarheid van de verdachte
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring en heeft daarbij aangevoerd dat het beroep op psychische overmacht niet kan slagen omdat niet aannemelijk is geworden dat op de verdachte enige druk is uitgeoefend om de drugs te smokkelen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat met succes beroep op psychische overmacht gedaan kan worden. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar 6 kilo cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, maar dat hij daartoe geen andere keus had. De verdachte had geld nodig om voor zijn dochter te zorgen. Op het moment dat de verdachte op Zanderij de grotere hoeveelheid cocaïne zag, wilde hij de drugs niet meer meenemen. Er is toen extreme druk op hem uitgeoefend, waaronder dreigementen ten aanzien van zijn dochter. Hierdoor was de verdachte gedwongen deze drugs alsnog te smokkelen.
Het hof overweegt als volgt.
Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht in een zaak als de onderhavige moet aannemelijk zijn dat de verdachte zich ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit in zodanige bedreigende omstandigheden bevond dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden dat hij zich onthield van de invoer van cocaïne. Uit hetgeen is aangevoerd, is het bestaan van dergelijke omstandigheden naar het oordeel van het hof geenszins aannemelijk geworden.
De verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard dat hij op eigen initiatief een drugsdealer in Amsterdam heeft benaderd om drugs te smokkelen vanuit Suriname naar Nederland zodat hij geld kon verdienen. Voorafgaand aan zijn vlucht vanuit Suriname naar Nederland ontving de verdachte de drugs, waarbij hij ontdekte dat de hoeveelheid groter was dan afgesproken. Toen hij kenbaar maakte dat hij de drugs niet meer mee wilde nemen, werd hem verteld dat er maatregelen zouden worden genomen als hij dit weigerde, aldus de verdachte.
Het hof is van oordeel dat op grond van de eigen verklaring van de verdachte vast staat dat hij al vóór zijn vlucht naar Nederland opzet had op het invoeren van een hoeveelheid cocaïne. Gelet op de omstandigheden dat de verdachte
bij aankomst op Schiphol de bij de ingang van de Douane controleruimte staande douaneambtenaar en de speurhond passeerde,
pas nadat de speurhond de verdachte volgde en bij de verdachte ging zitten (waaruit kon worden opgemaakt dat de verdachte vermoedelijk verdovende middelen bij zich had) en de verdachte vervolgens door een tweede douaneambtenaar werd meegenomen naar de visitatieruimte, in de visitatieruimte kenbaar maakte dat hij drugs op zijn lichaam droeg,
en tijdens de vlucht geen melding maakte bij de bemanning dat hij tegen zijn wil drugs vervoerde,
concludeert het hof dat de verdachte eveneens opzet had op de invoer van de grotere hoeveelheid cocaïne.
Hoewel de verdachte stelt dat hij op het vliegveld in Suriname onder druk is gezet en is bedreigd, heeft hij zijn verklaringen steeds aangepast en voorzien van nieuwe elementen. Daar komt bij dat de verdachte nauwelijks concrete details heeft verstrekt over de aard van de bedreiging en de personen die bij de bedreiging zouden zijn betrokken, ondanks herhaalde uitnodigingen daartoe, zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep.
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat de feitelijke grondslag van het verweer niet aannemelijk is geworden. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Ook anderszins is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde strafmaatverweer
De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en verzocht een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk op te leggen. De raadsvrouw heeft hierbij verwezen naar een aantal uitspraken waarin gelijke of lagere straffen zijn opgelegd dan in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn opgenomen.
Het hof overweegt als volgt.
Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Hetgeen de raadsvrouw in dit verband heeft aangevoerd omtrent uitspraken van rechtbanken en het hof Arnhem-Leeuwarden maakt dit niet anders. Het hof acht de aangehaalde uitspraken niet vergelijkbaar met de zaak van de verdachte, omdat het in onderhavige zaak de drugsinvoer door een koerier via Schiphol betreft, en niet het met het vliegtuig, de auto of vrachtwagen in een lading vervoeren van cocaïne of het voorhanden hebben ervan. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht, ziet het hof evenmin aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. E. Mijnsberge en J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 maart 2025.
mr. J.H. van der Werff is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.