Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-06-10
ECLI:NL:GHAMS:2025:1849
Strafrecht
Hoger beroep
789 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003385-21
datum uitspraak: 10 juni 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-846009-17 tegen de betrokkene
[betrokkene] B.V.,
gevestigd te [vestigingsadres] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van € 138.011,67 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene is bij vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2021 in de strafzaak veroordeeld ter zake van het medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Meststoffenwet, begaan door een rechtspersoon.
Voorts heeft de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van
6 december 2021 in de ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil vastgesteld en de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht afgewezen.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de vertegenwoordiger van de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Artikel 511g van het Wetboek van Strafvordering inzake het hoger beroep tegen een ontnemingsbeslissing, bepaalt in het tweede lid dat titel II van het derde Boek, en daarmee het bepaalde in artikel 404 van dat wetboek, van overeenkomstige toepassing is. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat tegen een vrijspraak geen hoger beroep openstaat. Dit alles betekent dat tegen de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de ontnemingsvordering, welke afwijzing naar het oordeel van het hof in zoverre is gelijk te stellen aan een vrijspraak, ook geen hoger beroep open staat. Het hof zal de betrokkene om deze reden, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juni 2025.