Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-08
ECLI:NL:GHAMS:2025:1662
Strafrecht
Hoger beroep
1,338 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000783-23
datum uitspraak: 8 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 81-182045-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1986,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissing omtrent het beslag. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Dictum
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de inbeslaggenomen slagtand aan het verkeer zal onttrekken.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht de slagtand aan de verdachte terug te geven.
Weliswaar is voor de in- of uitvoer en het verhandelen van een ivoren voorwerp zoals in deze zaak in beslag is genomen, een aangifte (invoer) en/of een certificaat van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RvO) vereist, dat slechts wordt afgegeven indien het ivoor dateert van vóór 3 maart 1947 en – voor zover van toepassing – ook bewerkt is voor die datum. Dat geldt echter niet voor het enkele bezit van zo een voorwerp, ook niet als dat, zoals in dit geval, in strijd met de regels de EU is ingevoerd. Het bezit van het voorwerp in kwestie is naar het oordeel van het hof dan ook niet zonder meer in strijd met de wet of het algemeen belang.
Overigens acht het hof aannemelijk dat het ivoren voorwerp, evenals de versieringen/bewerkingen daarvan, dateren van vóór 1947. De verdachte heeft verklaard dat het stuk al vele generaties in zijn familie (in Nigeria) is en daarin een belangrijke rol heeft gespeeld. Zijn voorvaderen bekleedden in de streek van herkomst van de verdachte belangrijke posities, zoals king en chief. Het openbaar ministerie heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen waarmee deze stellingnames worden ontzenuwd (ten overvloede merkt het hof op dat het OM daartoe ook niet gehouden was, nu verdachte alleen geverbaliseerd en vervolgd werd voor het invoeren van ivoor zonder daarvan aangifte te hebben gedaan en/of de vereiste certificering te hebben aangevraagd. Voor dat strafbaar handelen, dat het hof bewezen acht, doet de ouderdom van het voorwerp niet ter zake).
Kortom, het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten om van het voorwerp, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, de onttrekking aan het verkeer te bevelen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het ivoor – zoals aannemelijk geworden – erg oud is en dat het een belangrijke rol speelt in de cultuur en tradities van de beslagene, diens voorouders en diens nazaten. Bovendien is het belang dat de regelgeving in kwestie beoogt te beschermen, dat van kwetsbare of met uitsterven bedreigde diersoorten, er niet mee gebaat dat voorwerpen afkomstig van in het (verre) verleden gedode of gestorven dieren, worden vernietigd. Er rest het hof geen andere beslissing dan de teruggave van het beslagen ivoren voorwerp aan de verdachte/beslagene te gelasten. Verbeurdverklaring zou immers leiden tot verkoop of vervreemding om niet van het voorwerp, en dat is – zonder aanmelding en certificering – niet toegestaan. Bewaring ten behoeve van de rechthebbende terwijl deze bekend is, is onzinnig. Het hof zal daarom de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de verdachte gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming, artikel 3.14 van de Regeling natuurbescherming, artikel 4 van de Basisverordening EG nr. 338/97.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing ten aanzien van het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1.) 1 STK slagtanden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. A.R.O. Mooy, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 april 2025.
Mr. M.F.J.M. de Werd en mr. A.R.O. Mooy zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.