Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-24
ECLI:NL:GHAMS:2025:1612
Strafrecht
Hoger beroep
2,445 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002369-24
datum uitspraak: 24 februari 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 8 oktober 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-300598-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1974,
thans gedetineerd in [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 19 september 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.
Bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van invoer van cocaïne, omdat uit het dossier niet in voldoende mate volgt dat de slikkersbollen bij de verdachte zijn aangetroffen. Een proces-verbaal van aantreffen van de slikkersbollen in de ontlasting van de verdachte ontbreekt.
Het hof overweegt als volgt.
Op 19 september 2024 is de verdachte na een vliegreis vanuit Curaçao aangehouden op Schiphol op verdenking van invoer van verdovende middelen omdat hij, kort gezegd, voldeed aan een aantal van de zogenoemde slikkerscriteria. Op 23 september 2024 is de verdachte verhoord door de Koninklijke Marechaussee en uit de vraagstelling volgt dat voorafgaand aan dit verhoor bij de verdachte verdovende middelen zijn aangetroffen. Zo is de verdachte in het bijzijn van zijn advocaat gevraagd naar de reden van het smokkelen van verdovende middelen en of hij afstand wil doen van “de bij hem aangetroffen verdovende middelen” en het verpakkingsmateriaal. Uit het proces-verbaal van 26 september 2024 volgt tot slot dat bij de verdachte in totaal 84 slikkersbollen zijn aangetroffen met een nettogewicht van 621,6 gram. Het hof heeft geen reden aan de juistheid van de inhoud van deze processen-verbaal te twijfelen. De slikkersbollen zijn blijkens een kennisgeving van inbeslagneming onder de verdachte in beslag genomen en vervolgens positief getest op cocaïne.
Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat vaststaat dat bij de verdachte 84 slikkersbollen zijn aangetroffen. Dat deze slikkersbollen tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 20 september 2024 kennelijk nog niet waren aangetroffen (de verdachte heeft tijdens dat verhoor immers verklaard dat hij tweemaal schone ontlasting heeft gehad) maakt dit niet anders. Kortom, uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de opzettelijke invoer van cocaïne. Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 september 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.
De raadsvrouw heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht om een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd dat de verdachte in voorarrest zit.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren van 621,6 gram cocaïne op de luchthaven Schiphol. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Gelet op de hoeveelheid cocaïne kan het niet anders dan dat deze cocaïne was bedoeld voor verdere verkoop en verspreiding. De handel in harddrugs, en in het verlengde daarvan het gebruik ervan, betekenen een bedreiging van de volksgezondheid, zorgen voor onrust in de samenleving en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent de verdachte aan dat hij hieraan een bijdrage heeft geleverd.
Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt bij een hoeveelheid van tussen de 500 en 1000 gram een gevangenisstaf van tussen zes en acht maanden als uitgangspunt genomen. Een gevangenisstraf zoals gevorderd door de advocaat-generaal en opgelegd door de politierechter is dan ook in beginsel passend. Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, reden om een lagere straf op te leggen dan de politierechter.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 februari 2025.
Mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.