Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-03-27
ECLI:NL:GHAMS:2025:1599
Strafrecht
Hoger beroep
2,567 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000965-23
datum uitspraak: 27 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-223682-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1954,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2024 en, na een gewezen tussenarrest en een verhoor van de aangever als getuige, van 13 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging, is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 23 februari 2003 te Haarlem, in elk geval in Nederland telkens met [benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 1987), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , immers heeft verdachte
- zijn, verdachtes, penis in de mond en/of anus van die [benadeelde] gebracht en/of geduwd en/of gehouden en/of
- de penis van die [benadeelde] in zijn, verdachtes, mond gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Beoordeling
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich in de periode van 7 februari 2002 tot en met 23 februari 2003 heeft schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met aftrek van de dagen in voorarrest en met een proeftijd van twee jaar. Ten aanzien van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 20.623,27 euro, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde seksueel misbruik, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Beoordeling
De aangever heeft in 2021 bij de politie verklaard dat hij ongeveer 20 jaren geleden vijf of zes keer seksueel is misbruikt door de vader van een vriend, de verdachte. Het misbruik vond gedurende een periode van ongeveer een half jaar plaats en speelde zich af in een flat van de verdachte aan de [adres 2] en daarna in een flat van de verdachte aan het [adres 3] . Hij denkt dat hij tijdens het misbruik 13 of 14 jaren oud was. Voordat de aangever zich tot de politie wendde, heeft hij het misbruik jarenlang kunnen wegdrukken, maar sinds twee jaar kampte de aangever met PTSS, nachtmerries en herbelevingen. Sommige momenten van misbruik staan hem helder voor ogen, geeft hij tegenover de politie aan, en andere dingen heeft hij weggedrukt.
In oktober 2021 heeft de aangever Whatsapp-berichten naar de verdachte gestuurd waarin hij het volgende schrijft: “Wat er meer dan 20 jaren geleden tussen ons is gebeurd, daar heb ik nu de laatste 2 jaar behoorlijk veel last van [verdachte] . Ik heb PTSS overgehouden aan de seks die wij hebben gehad toen ik nog een jong mannetje was… Ik moet dit met je bespreken om dit te kunnen verwerken en los te kunnen laten … Graag hoor ik wanneer je wilt praten.” De aangever en de verdachte hebben vervolgens een afspraak gemaakt om te wandelen in het bos. De aangever heeft tijdens deze wandeling ongemerkt een opname gemaakt van het gesprek dat tussen hem en de verdachte heeft plaatsgevonden. Dit gesprek is woordelijk uitgewerkt in een proces-verbaal. Blijkens dit proces-verbaal heeft de aangever onder meer tegen de verdachte gezegd: “Ik zit inmiddels al ruim twee jaar thuis met post traumatische stressstoornis. Nou, dat heb ik opgelopen aan de seks die we hebben gehad, dat ik 13, 14 was. En ja, ik kan dat dus niet verwerken of loslaten of begrijpen, zeg maar…” De verdachte heeft hierop het volgende geantwoord: “Ik kan het zelf ook niet vatten, want ja, ik heb eigenlijk niks met jongens… ik heb wel zoiets van oké het is gebeurd ooit… ik heb er heel veel spijt van, ik bedoel eigenlijk: ik weet niet waarom het gebeurde. Hé ja, ik denk onder invloed van de drugs, van de blow.” Even later in het gesprek vraagt de aangever of hij de enige jongeman van die leeftijd was waar de verdachte seks mee heeft gehad. De verdachte bevestigt dit, geeft aan dat hij zich er niet veel van herinnert maar wel één keer op de [adres 2] , dat hij niet wist dat hij zo vervelend geweest was en beaamt dat het nooit had mogen gebeuren. Het hof acht het, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aannemelijk dat tussen de verdachte en de aangever seksueel contact heeft plaatsgevonden en dat dit contact verder is gegaan dan het eenmalig scheren van het schaamhaar van de aangever, zoals door de verdachte ter terechtzitting tegenover de rechtbank en het hof als de enige vorm van intiem contact is verklaard. Het hof heeft geen reden om eraan te twijfelen dat het leeftijdsverschil tussen de verdachte – de vader van een vriend van de aangever – en de aangever tijdens hun contact (te) groot was en dat het contact niet eerder heeft plaatsgevonden dan toen de verdachte in de woning aan de [adres 2] woonde. Daarbij merkt het hof op dat de aangever overtuigend en in grote mate consistent is in zijn verklaringen over hetgeen hem is overkomen en op welke adressen dat heeft plaatsgevonden. Dit geldt echter niet voor de verklaringen van de aangever voor zover het gaat over het benoemen van een leeftijd, jaartal of ander aanknopingspunt voor wanneer het misbruik zou hebben plaatsgevonden. Op die punten zijn de herinneringen van de aangever niet meer helder en eenduidig. Dit heeft tot gevolg dat het hof aan een nadere beoordeling van wat aan seksueel contact in aard en frequentie tussen beiden heeft plaatsgevonden, niet toekomt.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste voldoende mate van zekerheid vast is komen te staan dat het seksueel contact heeft plaatsgevonden op het moment dat de aangever de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat de aangever op [geboortedag 2] 2003 16 jaar werd en de verdachte vanaf 1 november 2003 stond ingeschreven aan het [adres 3] . Mede gelet op de hiervoor weergegeven verklaring van de aangever bij de politie dat het misbruik gedurende een periode van ongeveer een half jaar heeft plaatsgevonden en hij ook op het [adres 3] misbruikt is, kan niet worden uitgesloten dat de aangever ten tijde van het seksueel contact de leeftijd van 16 jaar inmiddels had bereikt. Het hof merkt daarbij op dat het verhoor van de aangever dat hierover heeft plaatsgevonden bij de raadsheer-commissaris onvoldoende aanknopingspunten geeft voor een ander oordeel.
Aangezien de leeftijdsgrens van 16 jaar een essentieel bewijsonderdeel is van de tenlastelegging, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat aan de verdachte is tenlastegelegd. Het hof zal de verdachte daarvan vrijspreken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 31.925,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in deze strafzaak niet in de vordering worden ontvangen. Hij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. R. van der Heijden en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 maart 2025.
Mr. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.