Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-22
ECLI:NL:GHAMS:2025:157
Strafrecht
Hoger beroep
1,523 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001170-24
datum uitspraak: 22 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-092282-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen aanvult met de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2025, en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toevoegt aan de toepasselijke wettelijke voorschriften.
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof verder niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de politierechter.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft het hof verzocht om een geheel dan wel gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf aan de verdachte op te leggen en heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op de ouderdom van de feiten, het feit dat het ten tijde van het bewezenverklaarde niet goed ging met de verdachte en de inspanningen die de verdachte heeft verricht om zijn leven weer op de rit te krijgen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn (ex-)partner. Hij heeft haar bij de keel gegrepen en in het gezicht geslagen, als gevolg waarvan het slachtoffer pijn en letsel heeft ondervonden. Verder heeft de verdachte het slachtoffer middels het versturen van WhatsApp-berichten bedreigd. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Tevens veroorzaakt dergelijk handelen in het algemeen gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij het slachtoffer. Het hof neemt dit de verdachte kwalijk en het baart het hof zorgen dat de verdachte op deze wijze zijn emoties heeft geuit.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 december 2024 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke delicten.
Het hof heeft bij de strafoplegging verder rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat hij zijn leven beter op de rit lijkt te hebben dan ten tijde van het bewezenverklaarde. Verder gaan de verdachte en het slachtoffer nog altijd met elkaar om, aldus de verdachte. Het hof ziet hierin aanleiding om een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf aan de verdachte op te leggen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat hij niet in staat is om een taakstraf te verrichten. Het hof ziet hierin, nu deze stelling niet is onderbouwd en gezien het standpunt van de raadsman, geen aanleiding om een andere straf dan een taakstraf op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.H.H.P. Houben, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Jansen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2025.
Mr. Houben en mr. Kleene-Krom zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
[…]