Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-05-22
ECLI:NL:GHAMS:2025:1542
Strafrecht
Hoger beroep
2,850 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000237-25
datum uitspraak: 22 mei 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers
13-304903-24, 13-084755-24, 13-217461-24, 13-243916-24 en 13-300493-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1966,
thans gedetineerd in [adres] .
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 13-084755-24 onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van 2 jaren.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - en zal dit om die reden bevestigen, met dien verstande dat het hof een aanvullende strafmaatoverweging opneemt.
Aanvullende strafmaatoverweging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat aan de verdachte al vijf keer eerder de ISD-maatregel (en daarvoor ook eenmaal de voorloper van de ISD-maatregel) is opgelegd en dat dit niet heeft geresulteerd in gedragsverandering. De verdachte wenst geen enkele medewerking te verlenen, waardoor de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel slechts een kale afstraffing is en zijn doel voorbijschiet. De verdachte is gemotiveerd om onder begeleiding van zijn TOP-600 regisseur hulp te aanvaarden. Deze kans moet hem geboden worden, zodat hij zijn leven buiten de ISD-kliniek op orde kan krijgen. Om die reden verzoekt de raadsvrouw om de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De verdachte heeft inmiddels contacten met familie aangehaald en hij heeft de financiële middelen om voor een korte tijd een woonruimte te huren, waardoor hij na detentie een kans heeft om te resocialiseren.
Het hof overweegt als volgt.
Hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, heeft het hof niet tot andere inzichten gebracht over de op te leggen straf of maatregel dan de rechtbank heeft gehad.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep kenbaar gemaakt dat hij niet bereid is enige medewerking te verlenen aan diagnostiek en behandeling, behalve in afstemming met de TOP-600 regisseur en, zo is het hof gebleken, geheel op zijn eigen voorwaarden. Het hof is van oordeel dat het door de verdachte geschetste vangnet onvoldoende basis biedt voor een goede resocialisatie, waarbij het hof overigens ook aantekent dat vanuit de TOP-600 aan de reclassering te kennen is gegeven dat de verdachte niet ontvankelijk is voor hulp.
Het doel van de ISD-maatregel is tweeledig: gedragsverandering van de veroordeelde en beveiliging van de samenleving. Gezien de houding van de verdachte is de kans op gedragsverandering klein, maar de noodzaak van de oplegging van de ISD-maatregel om de aanhoudende recidive van de verdachte te stoppen blijft onverminderd bestaan. De keuze van de verdachte om geen enkele medewerking te verlenen aan zijn behandeling tast dit doel niet aan. Het is aan de verdachte om de knop om te draaien en, zo die nog voorhanden is, de in het reclasseringsadvies geopperde mogelijkheid aan te grijpen om met diagnostiek en behandeling zijn leven weer op de rails te krijgen. Die kans wordt hem binnen het ISD-traject geboden.
Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding om het uitgezeten voorarrest af te trekken van deze duur.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-084755-24 onder 1 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. M.J.A. Duker en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 mei 2025.
mr. P.K. van Riemsdijk is niet in de gelegenheid dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000237-25
datum uitspraak: 22 mei 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers
13-304903-24, 13-084755-24, 13-217461-24, 13-243916-24 en 13-300493-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1966,
thans gedetineerd in [adres] .
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 13-084755-24 onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van 2 jaren.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - en zal dit om die reden bevestigen, met dien verstande dat het hof een aanvullende strafmaatoverweging opneemt.
Aanvullende strafmaatoverweging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat aan de verdachte al vijf keer eerder de ISD-maatregel (en daarvoor ook eenmaal de voorloper van de ISD-maatregel) is opgelegd en dat dit niet heeft geresulteerd in gedragsverandering. De verdachte wenst geen enkele medewerking te verlenen, waardoor de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel slechts een kale afstraffing is en zijn doel voorbijschiet. De verdachte is gemotiveerd om onder begeleiding van zijn TOP-600 regisseur hulp te aanvaarden. Deze kans moet hem geboden worden, zodat hij zijn leven buiten de ISD-kliniek op orde kan krijgen. Om die reden verzoekt de raadsvrouw om de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De verdachte heeft inmiddels contacten met familie aangehaald en hij heeft de financiële middelen om voor een korte tijd een woonruimte te huren, waardoor hij na detentie een kans heeft om te resocialiseren.
Het hof overweegt als volgt.
Hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, heeft het hof niet tot andere inzichten gebracht over de op te leggen straf of maatregel dan de rechtbank heeft gehad.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep kenbaar gemaakt dat hij niet bereid is enige medewerking te verlenen aan diagnostiek en behandeling, behalve in afstemming met de TOP-600 regisseur en, zo is het hof gebleken, geheel op zijn eigen voorwaarden. Het hof is van oordeel dat het door de verdachte geschetste vangnet onvoldoende basis biedt voor een goede resocialisatie, waarbij het hof overigens ook aantekent dat vanuit de TOP-600 aan de reclassering te kennen is gegeven dat de verdachte niet ontvankelijk is voor hulp.
Het doel van de ISD-maatregel is tweeledig: gedragsverandering van de veroordeelde en beveiliging van de samenleving. Gezien de houding van de verdachte is de kans op gedragsverandering klein, maar de noodzaak van de oplegging van de ISD-maatregel om de aanhoudende recidive van de verdachte te stoppen blijft onverminderd bestaan. De keuze van de verdachte om geen enkele medewerking te verlenen aan zijn behandeling tast dit doel niet aan. Het is aan de verdachte om de knop om te draaien en, zo die nog voorhanden is, de in het reclasseringsadvies geopperde mogelijkheid aan te grijpen om met diagnostiek en behandeling zijn leven weer op de rails te krijgen. Die kans wordt hem binnen het ISD-traject geboden.
Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding om het uitgezeten voorarrest af te trekken van deze duur.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-084755-24 onder 1 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. M.J.A. Duker en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 mei 2025.
mr. P.K. van Riemsdijk is niet in de gelegenheid dit arrest mede te ondertekenen.