Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-04
ECLI:NL:GHAMS:2025:1356
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
18,870 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3180
4 februari 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. M. Djamal)
tegen de uitspraak van 18 maart 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/1779 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Douane, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende, betreffende een informatiebeschikking, alsmede op haar verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 3.000;
- veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 218,75; en
- draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 365 te vergoeden.”
1.2.
In hoger beroep heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend, waarvan zij de gronden later heeft aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Feiten
Het Hof gaat uit van de volgende, in hoofdzaak reeds door de rechtbank vastgestelde feiten, die partijen in hoger beroep niet hebben bestreden.
2.1.
Belanghebbende exploiteert een horecagelegenheid, gevestigd aan de [A-straat] te [Z] (hierna: de horecagelegenheid).
2.2.
Op 12 oktober 2016 heeft de Douane bij een fysieke controle in de horecagelegenheid de aanwezigheid geconstateerd van ruim 46 kilogram waterpijptabak die niet was voorzien van Nederlandse accijnszegels.
2.3.
Vervolgens heeft de inspecteur bij brief van 24 april 2017 aan belanghebbende een administratieve controle aangekondigd over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2016. De controle betreft een onderzoek naar de ontvangst van goederen waarvoor accijns of verbruiksbelasting is verschuldigd. In de brief is onder meer het volgende vermeld:
“Voor een vlotte start van de controle is het noodzakelijk dat u de volgende gegevens op de dag van het onderzoek beschikbaar heeft:
- rekeningschema van de administratie;
- organigram met vermelding van de afdelingen van het bedrijf;
- de jaarstukken met kolommenbalans, grootboek, sub-administraties, specificaties van de
journaalposten, kladadministratie en dergelijke;
- accijnsadministratie;
- facturen en bankbescheiden;
- inventarisatie en voorraadverloop accijnsgoederen
- Audit files van de administratie van 2012 tot en met 2016”
2.4.
Op 9 mei 2017 heeft daarna een inleidend gesprek voor de controle plaatsgevonden. In een verslag van dat gesprek is - voor zover van belang - het volgende vermeld:
“Aanwezig:
[persoon 1] – boekhouder, [bedrijf 1]
[persoon 2] – eigenaar, [X]
[persoon 3] – Administratieve controle, Douane Amsterdam
[persoon 4] – accountant, Douane Amsterdam
Inleiding
[persoon 3] geeft aan dat hij opdracht heeft gekregen tot het verrichten van een administratieve controle i.v.m. de aangetroffen 45kg waterpijptabak bij een fysieke controle.
(…)
Inkopen waterpijp
[X] koopt haar waterpijptabak in bij één leverancier in “ [bedrijf 2] ”. De kooltjes koopt [X] in bij [bedrijf 3] . [persoon 2] geeft aan dat ze dezelfde kolen gebruiken voor de grill en de waterpijp.
(…)
Administratie
De Kassa maakt [X] dagelijks op. 1 x per week of 2 weken ontvangt [bedrijf 1] de administratie. In het kassasysteem is de omzet naar productgroep geregistreerd in de administratie niet.
Het administratiekantoor [bedrijf 1] voert de boekhouding van [X] . Inkopen en omzet worden op totaalniveau geboekt. Het administratiekantoor maakt onderscheidt naar hoog en laag tarief maar niet naar productsoort. [persoon 1] bevestigt dat je de inkopen wel kunt terugvinden in de crediteurenkaart. Facturen registreert [bedrijf 1] op boekstuknummer. [bedrijf 1] voert de administratie in het boekhoudpakket Exact. [bedrijf 1] heeft per entiteit een separate administratie ingericht. [X] Bv is de enige bv waar waterpijptabak wordt verkocht.
Het boekhoudkantoor heeft in de controleperiode haar naam gewijzigd en heeft hierdoor een nieuwe licentie voor Exact moeten aanschaffen.
(…)
Kassasysteem [X]
heeft een digitaal kassasysteem. Het afgelopen weekend, eind april is het kassasysteem incl. de hardware vervangen. [persoon 2] bevestigt aan [persoon 3] dat het mogelijk is de oude hardware op te starten.
Op te leveren documenten
[persoon 3] geeft aan dat hij graag een download uit het kassasysteem per productgroep over de controlejaren ontvangt. Daarnaast ontvangt hij graag de auditfiles en de jaarstukken van de entiteiten over de controlejaren tot en met 2015. Voor 2016 ontvangen wij een kwartaalrapportage over Q1.
Jaarstukken
[persoon 1] geeft aan dat de jaarstukken 2015 rond zijn. [persoon 1] is nog bezig met de jaarstukken van 2016. Dit houdt verband met de rechtszaak met de huisbaas van [X] . Het is nog onvoldoende duidelijk hoe dat uitpakt.
Voorraadinventarisatie
Op 31/12 vindt een globale inventarisatie plaats. De voorraad van [X] bedraagt circa EUR 2.500 per jaar. De administrateur vraagt de kok zijn voorraad door te geven en van de drank maakt de eigenaar een globale inschatting. De waterpijptabak ligt alleen in het restaurant [X] opgeslagen. [bedrijf 1] boekt per jaareinde alle samenhangende inkopen terug naar voorraad middels een memoriaalboeking. Van inventarisatie vinden geen vastleggingen plaats.”
2.5.
Bij brief van 22 juni 2017 heeft de inspecteur informatie opgevraagd bij belanghebbende en heeft hij verzocht informatie te verstrekken vóór 29 juli 2017. In die brief is onder andere het volgende vermeld:
“Tijdens het onderzoek heb ik u gevraagd naar de auditfiles van 2012 tot en met 2016 en een uitworp van de kassasystemen en de bijbehorende kassabonnen over deze jaren. Ik heb de auditfiles van uw boekhouder gehad. Deze auditfiles zijn echter niet compleet.
Ik heb u meerdere malen verzocht om deze informatie alsnog aan te leveren. Ik heb u op 24 mei en 2 juni 2017 daartoe een mail verzonden. Ook heb ik u meerdere malen telefonisch proberen te bereiken (24, 29, 30 mei en 21 juni 2016. Op 1 juni ben ik bij uw onderneming langs geweest. U was echter niet aanwezig en het personeel wat aanwezig was wist hoe u te bereiken was. Ook ben ik nog bij uw boekhouder geweest. Zijn kantoor was echter opgeheven.
(…)
Voor uw gemak heb ik een overzicht bijgevoegd waarop staat welke informatie nog moet worden verstrekt:
- De juiste auditfiles van 2012 tot en met 2016
- Een uitworp van uw digitale kassa over dezelfde periode
- De kassabonnen over deze periode”
2.6.
Tot de stukken van het geding behoort een gewijzigde versie van het rapport dat de controleambtenaren hebben opgesteld naar aanleiding van voormelde controle, gedagtekend 8 oktober 2018. In dit rapport is onder andere het volgende vermeld met betrekking tot de administratie van belanghebbende:
“2 Algemeen
2.1
Bedrijfsactiviteiten
De bedrijfsactiviteit bestaat uit de exploitatie van een grillrestaurant met een apart shisha lounge gedeelte. Het Shisha gedeelte is gestart op 10 april 2014.
2.2
Goederenassortiment
Het goederenassortiment bestaat onder andere uit alcoholvrije dranken, koffie, thee, en allerlei soorten maaltijden. Daarnaast is het mogelijk om een waterpijp te roken. De waterpijp wordt aangeboden met houtskool en tabak.
(…)
2.5
Administratie
[bedrijf 1] voert de administratie in het boekhoudpakket Exact. Inkopen en omzet worden op totaalniveau geboekt. Het administratiekantoor maakt onderscheidt naar hoog en laag tarief maar niet naar productsoort. De heer [persoon 1] bevestigt dat je de inkopen wel kunt terugvinden in de crediteurenkaart. Facturen registreert [bedrijf 1] op boekstuknummer.
2.5.1
Kasadministratie
De kassa maakt [X] dagelijks op, 1 x per week of 2 weken ontvangt [bedrijf 1] de administratie. In het kassasysteem is de omzet naar productgroep geregistreerd. In de administratie is deze onderverdeling naar productgroep niet meer terug te vinden. Alle omzetten worden verdicht opgenomen.
In 2017 worden er nieuwe kassa's aangeschaft.
Conclusie
-Sinds 10 april 2014 doet hij zeer veel inkopen ten aanzien van waterpijpkooltjes, waterpijpen en toebehoren.
-Op 10 april 2014 koopt hij Mola Mix, een vloeistof die alleen gebruikt wordt voor waterpijptabak, de hoeveelheid is genoeg voor 16 kilo waterpijptabak.
- Op 12 oktober 2016 neemt de Douane 46,25 kilo waterpijptabak in beslag. Dat is 31 kilo meer dan opgenomen in de boekhouding
- De heer [persoon 5] gaat na de douanecontrole (12 oktober 2016) omzet boeken ten aanzien van waterpijptabak. Na deze datum worden er echter geen inkopen waterpijptabak meer gedaan.
-Op zijn eigen facebookspagina staan foto's van mensen die aan de waterpijp zitten in het shishalounge gedeelte. Veel mensen klagen over de waterpijptabakslucht.
-Op zijn eigen website wordt [X] omschreven als [website] .
-Hij maakt op Youtube vanaf mei 2014 reclame voor het gebruik van de waterpijp.
Kortom de eigen website, facebook en overige social media hebben het over waterpijptabak. Er staan foto's en reviews over het gebruik hiervan. Er worden waterpijpen en toebehoren ingekocht. In de boekhouding is op 1 factuur na niets te vinden van inkopen waterpijptabak! De heer [persoon 5] heeft dus andere bronnen waar de waterpijptabak wordt ingekocht. Van deze bronnen kan de heer [persoon 5] niet aantonen dat de accijns betaalt is. De heer [persoon 5] heeft dan accijnsgoederen voorhanden gehad waarover geen accijns is afgedragen.
(…)
3 Controlebevindingen
(…)
3.3
Intra Communautaire Transacties
Belastingplichtige heeft de volgende intra communautaire transacties verricht in het tweede kwartaal van 2014:
(…)
Verschil
Het verschil (€ 1.108,81) aan inkopen is niet verantwoord in de boekhouding. Er zijn geen inkoopfacturen aanwezig.
3.4
Conclusie
De administratie vertoont zodanig grote gebreken dat deze niet kan dienen als uitgangspunt voor mijn onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de inkopen waterpijptabak. Hiervoor zal uitgegaan worden van het causale verband tussen de inkopen houtskool (zie 2.6) met de verkopen - en daaruit afgeleid - de inkopen waterpijptabak. Voor iedere dienst die geleverd wordt aan een klant die waterpijptabak wil roken is houtskool nodig.
Bij het aanbieden van de waterpijp wordt 20 gram houtskool en 20 gram tabak geleverd. De verhouding is dus 1:1. (cijfers ontleent van de leverancier en het douanelaboratorium).Dit levert de volgende berekening op:
(…)
Op basis van deze berekening is tijdens de controleperiode ten minste 6963,5 kg waterpijptabak ingekocht. Hierover zijn geen accijnsaangiften ingediend.”
2.7.
Op 27 juni 2019 heeft de inspecteur de in geding zijnde informatiebeschikking genomen op de grond dat belanghebbende zijns inziens niet aan de administratieplicht heeft voldaan:
“Op 9 mei 2017 ben ik bij u gestart met een boekenonderzoek het voorhanden hebben van accijns en verbruiksbelastinggoederen en de juistheid en volledigheid van de afdracht accijns en verbruiksbelastingen (…). De controleperiode is van 01-01-2012 tot en met 31 maart 2016.
(…)
Voor uw gemak heb ik een overzicht bijgevoegd waarop staat welke informatie nog moet worden verstrekt
- Ik mis ICT-facturen in 2014 voor € 1108.81
- Een uitworp van uw digitale kassa over 2014 tot en met 2016
- lk mis meer dan 6917 kilo aan inkopen waterpijptabak, ik wil alle facturen vanaf 2014 tot en met 2016
Z-afslagen ove 2014 tot en met 2016 met ook de volgende gegevens:
* De Grand Totals
* het aantal keren: Lade Open
* afdrukken van de omzetten per productgroep
(…)
Ik heb u en uw boekhouder aangegeven dat ik zonder deze gegevens geen juiste administratieve controle kan uitvoeren
Informatie beschikking
Onder verwijzing naar artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) stel ik vast dat u niet heeft voldaan aan de op u rustende administratieplicht ingevolge artikel 52 lid 6 van de AWR. Hierin wordt aangegeven dat de administratie zodanig dient te worden ingericht dat de controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Dit is echter met betrekking tot de administratie van [persoon 5] ten aanzien van de [X] B.V niet mogelijk.”
2.8.
Het tegen de informatiebeschikking gemaakte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard.
Geschil
In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de informatiebeschikking terecht is genomen. De formulering van de gronden van het beroep en het hoger beroep is woordelijk zo goed als identiek.
Beoordeling
Vooraf: ontbreken procesdossier
4.1.
Over de klacht van belanghebbende over de toezending van het procesdossier heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“14. Voor zover [belanghebbende] haar stelling handhaaft dat zij in beroep niet het procesdossier heeft ontvangen, faalt deze grief. Bij brieven van 30 juni 2023, 6 juli 2023 en 19 januari 2024 heeft de rechtbank alle stukken [die] ontvangen zijn van [de inspecteur] aan [belanghebbende] verzonden.”
4.2.
Voor zover het Hof kan nagaan in het hem ter beschikking staande dossier, is hetgeen is vermeld in de tweede zin van de hiervoor geciteerde overweging juist. Nu belanghebbende voorts op geen enkele manier concretiseert welke postzendingen of processtukken zij niet heeft ontvangen, faalt de klacht over de toezending van stukken daarom ook in hoger beroep.
Ten gronde
4.3.
Voorop staat dat alleen de rechtmatigheid van een informatiebeschikking ter beoordeling voorligt. In dat verband komt het erop aan of belanghebbende met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2016 heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4.4.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat haar administratie toegankelijk en controleerbaar was voor de controleambtenaren en dat de inspecteur “slechts is uitgegaan van subjectieve aannames en (…) niet [heeft] kunnen vaststellen dat appellant daadwerkelijk artikel 52 AWR heeft geschonden.”
4.5.
De inspecteur verwijt belanghebbende daarentegen niet aan de administratieplicht te hebben voldaan, vooral omdat inkoopfacturen van waterpijptabak geheel ontbreken, terwijl die tabak wel moet zijn ingekocht. In dat kader heeft hij gewezen op (i) de (onveraccijnsde) waterpijptabak die bij de fysieke controle op 12 oktober 2016 is aangetroffen, (ii) de omzet uit ‘shisha’ die belanghebbende sinds die datum boekt, (iii) de berichten op internet die erop wijzen dat al vanaf 2014 waterpijp wordt gerookt in de horecagelegenheid, (iv) de inkopen van waterpijpen en benodigdheden daarvoor die volgens de administratie plaatsvinden sinds 2014 en (v) twee bij ‘ [bedrijf 2] ’ aangetroffen, aan belanghebbende gerichte facturen voor waterpijptabak die bij belanghebbende niet in de administratie zijn teruggevonden. Het verwijt van de inspecteur voor het niet voldoen aan de administratieplicht is verder gegrond op het niet-bewaren van elektronische kassabestanden over de periode 2012 tot en met 2016 en op het ontbreken van facturen in verband met intracommunautaire transacties die een buitenlandse leverancier op het btw-identificatienummer van belanghebbende heeft ‘gelist’.
4.6.1.
Evenals de rechtbank komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende niet aan de administratieplicht heeft voldaan. De in 4.4 weergegeven grief van belanghebbende faalt daarom.
4.6.2.
De inspecteur heeft ten eerste behoorlijk gesubstantieerd gesteld dat belanghebbende waterpijptabak heeft ingekocht en dat van die inkopen in haar administratie niets is terug te vinden. Dat is het duidelijkst aan de orde bij de twee aan belanghebbende gerichte facturen voor waterpijptabak die zijn aangetroffen bij ‘ [bedrijf 2] ’. Bovendien indiceren de in 4.5 genoemde omstandigheden tezamen dat reeds vanaf 2014 waterpijp kon worden gerookt in de horecagelegenheid. In bezwaar (maar niet meer expliciet in beroep of hoger beroep) heeft belanghebbende daartegenover slechts niet of nauwelijks onderbouwde verklaringen gesteld die, zoals de inspecteur schrijft in zijn uitspraak op bezwaar, in belangrijke mate ontwijkend zijn ten aanzien van de genoemde omstandigheden. Het Hof acht het daarom aannemelijk dat belanghebbende vanaf 2014 niet alleen waterpijpen en diverse benodigdheden anders dan de tabak daarvoor heeft ingekocht, maar ook waterpijptabak. Niet bestreden is verder dat geen vastleggingen van inkopen van waterpijptabak in de administratie aanwezig waren/zijn, in het bijzonder geen inkoopfacturen.
4.6.3.
Ten tweede heeft belanghebbende de onderbouwde stelling van de inspecteur, dat zij elektronische kassabestanden over de periode van 2012 tot en met 2016 niet heeft bewaard tot het einde van de bewaartermijn van zeven jaar, en dat niet alle gegevens uit die bestanden aan de inspecteur zijn verstrekt, niet gemotiveerd betwist. Daarom kan die stelling voor juist worden gehouden. Voor de stelling van de inspecteur dat een of meer facturen betreffende intracommunautaire transacties ontbreken in de administratie, geldt hetzelfde.
4.7.
De in de administratie ontbrekende gegevens kunnen verder voor de belastingheffing van belang zijn. Zo had de inspecteur daarmee nader onderzoek kunnen doen naar de vraag of belanghebbende (meer) onveraccijnsde waterpijptabak voorhanden heeft gehad en zij als gevolg daarvan accijns verschuldigd is geworden. Bovendien zijn de tekortkomingen in de administratie niet van zo weinig gewicht dat zij omkering en verzwaring van de bewijslast niet rechtvaardigen, en is overmacht evenmin aan de orde.
4.8.
De rechtbank heeft ook met betrekking tot de overige grieven van belanghebbende terecht geoordeeld dat zij falen, aangezien:
de bevoegdheid van de controlerende ambtenaar om de controle uit te voeren blijkt uit een afschrift uit het centraal bevoegdhedenregister dat tot de stukken van het geding behoort;
de cautieplicht van artikel 5:10a, lid 2, van de Awb in dezen irrelevant is, omdat de informatiebeschikking niet een bestraffende sanctie inhoudt, en
het niet valt in te zien waarom de vrijheid van ondernemerschap van artikel 16 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie in de weg zou staan aan handhaving van de administratieplicht ten aanzien van belanghebbende.
4.9.
Tot slot heeft belanghebbende geen grieven aangevoerd tegen het oordeel dat zij geen nadere termijn krijgt om alsnog aan de administratieplicht te voldoen, al zou dat ook niet meer kunnen, en heeft de rechtbank reeds een toereikende vergoeding van immateriële schade toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
Conclusie
4.10.
Het hoger beroep is ongegrond.
5Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 4 februari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3180
4 februari 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. M. Djamal)
tegen de uitspraak van 18 maart 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/1779 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Douane, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende, betreffende een informatiebeschikking, alsmede op haar verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 3.000;
- veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 218,75; en
- draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 365 te vergoeden.”
1.2.
In hoger beroep heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend, waarvan zij de gronden later heeft aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Feiten
Het Hof gaat uit van de volgende, in hoofdzaak reeds door de rechtbank vastgestelde feiten, die partijen in hoger beroep niet hebben bestreden.
2.1.
Belanghebbende exploiteert een horecagelegenheid, gevestigd aan de [A-straat] te [Z] (hierna: de horecagelegenheid).
2.2.
Op 12 oktober 2016 heeft de Douane bij een fysieke controle in de horecagelegenheid de aanwezigheid geconstateerd van ruim 46 kilogram waterpijptabak die niet was voorzien van Nederlandse accijnszegels.
2.3.
Vervolgens heeft de inspecteur bij brief van 24 april 2017 aan belanghebbende een administratieve controle aangekondigd over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2016. De controle betreft een onderzoek naar de ontvangst van goederen waarvoor accijns of verbruiksbelasting is verschuldigd. In de brief is onder meer het volgende vermeld:
“Voor een vlotte start van de controle is het noodzakelijk dat u de volgende gegevens op de dag van het onderzoek beschikbaar heeft:
- rekeningschema van de administratie;
- organigram met vermelding van de afdelingen van het bedrijf;
- de jaarstukken met kolommenbalans, grootboek, sub-administraties, specificaties van de
journaalposten, kladadministratie en dergelijke;
- accijnsadministratie;
- facturen en bankbescheiden;
- inventarisatie en voorraadverloop accijnsgoederen
- Audit files van de administratie van 2012 tot en met 2016”
2.4.
Op 9 mei 2017 heeft daarna een inleidend gesprek voor de controle plaatsgevonden. In een verslag van dat gesprek is - voor zover van belang - het volgende vermeld:
“Aanwezig:
[persoon 1] – boekhouder, [bedrijf 1]
[persoon 2] – eigenaar, [X]
[persoon 3] – Administratieve controle, Douane Amsterdam
[persoon 4] – accountant, Douane Amsterdam
Inleiding
[persoon 3] geeft aan dat hij opdracht heeft gekregen tot het verrichten van een administratieve controle i.v.m. de aangetroffen 45kg waterpijptabak bij een fysieke controle.
(…)
Inkopen waterpijp
[X] koopt haar waterpijptabak in bij één leverancier in “ [bedrijf 2] ”. De kooltjes koopt [X] in bij [bedrijf 3] . [persoon 2] geeft aan dat ze dezelfde kolen gebruiken voor de grill en de waterpijp.
(…)
Administratie
De Kassa maakt [X] dagelijks op. 1 x per week of 2 weken ontvangt [bedrijf 1] de administratie. In het kassasysteem is de omzet naar productgroep geregistreerd in de administratie niet.
Het administratiekantoor [bedrijf 1] voert de boekhouding van [X] . Inkopen en omzet worden op totaalniveau geboekt. Het administratiekantoor maakt onderscheidt naar hoog en laag tarief maar niet naar productsoort. [persoon 1] bevestigt dat je de inkopen wel kunt terugvinden in de crediteurenkaart. Facturen registreert [bedrijf 1] op boekstuknummer. [bedrijf 1] voert de administratie in het boekhoudpakket Exact. [bedrijf 1] heeft per entiteit een separate administratie ingericht. [X] Bv is de enige bv waar waterpijptabak wordt verkocht.
Het boekhoudkantoor heeft in de controleperiode haar naam gewijzigd en heeft hierdoor een nieuwe licentie voor Exact moeten aanschaffen.
(…)
Kassasysteem [X]
heeft een digitaal kassasysteem. Het afgelopen weekend, eind april is het kassasysteem incl. de hardware vervangen. [persoon 2] bevestigt aan [persoon 3] dat het mogelijk is de oude hardware op te starten.
Op te leveren documenten
[persoon 3] geeft aan dat hij graag een download uit het kassasysteem per productgroep over de controlejaren ontvangt. Daarnaast ontvangt hij graag de auditfiles en de jaarstukken van de entiteiten over de controlejaren tot en met 2015. Voor 2016 ontvangen wij een kwartaalrapportage over Q1.
Jaarstukken
[persoon 1] geeft aan dat de jaarstukken 2015 rond zijn. [persoon 1] is nog bezig met de jaarstukken van 2016. Dit houdt verband met de rechtszaak met de huisbaas van [X] . Het is nog onvoldoende duidelijk hoe dat uitpakt.
Voorraadinventarisatie
Op 31/12 vindt een globale inventarisatie plaats. De voorraad van [X] bedraagt circa EUR 2.500 per jaar. De administrateur vraagt de kok zijn voorraad door te geven en van de drank maakt de eigenaar een globale inschatting. De waterpijptabak ligt alleen in het restaurant [X] opgeslagen. [bedrijf 1] boekt per jaareinde alle samenhangende inkopen terug naar voorraad middels een memoriaalboeking. Van inventarisatie vinden geen vastleggingen plaats.”
2.5.
Bij brief van 22 juni 2017 heeft de inspecteur informatie opgevraagd bij belanghebbende en heeft hij verzocht informatie te verstrekken vóór 29 juli 2017. In die brief is onder andere het volgende vermeld:
“Tijdens het onderzoek heb ik u gevraagd naar de auditfiles van 2012 tot en met 2016 en een uitworp van de kassasystemen en de bijbehorende kassabonnen over deze jaren. Ik heb de auditfiles van uw boekhouder gehad. Deze auditfiles zijn echter niet compleet.
Ik heb u meerdere malen verzocht om deze informatie alsnog aan te leveren. Ik heb u op 24 mei en 2 juni 2017 daartoe een mail verzonden. Ook heb ik u meerdere malen telefonisch proberen te bereiken (24, 29, 30 mei en 21 juni 2016. Op 1 juni ben ik bij uw onderneming langs geweest. U was echter niet aanwezig en het personeel wat aanwezig was wist hoe u te bereiken was. Ook ben ik nog bij uw boekhouder geweest. Zijn kantoor was echter opgeheven.
(…)
Voor uw gemak heb ik een overzicht bijgevoegd waarop staat welke informatie nog moet worden verstrekt:
- De juiste auditfiles van 2012 tot en met 2016
- Een uitworp van uw digitale kassa over dezelfde periode
- De kassabonnen over deze periode”
2.6.
Tot de stukken van het geding behoort een gewijzigde versie van het rapport dat de controleambtenaren hebben opgesteld naar aanleiding van voormelde controle, gedagtekend 8 oktober 2018. In dit rapport is onder andere het volgende vermeld met betrekking tot de administratie van belanghebbende:
“2 Algemeen
2.1
Bedrijfsactiviteiten
De bedrijfsactiviteit bestaat uit de exploitatie van een grillrestaurant met een apart shisha lounge gedeelte. Het Shisha gedeelte is gestart op 10 april 2014.
2.2
Goederenassortiment
Het goederenassortiment bestaat onder andere uit alcoholvrije dranken, koffie, thee, en allerlei soorten maaltijden. Daarnaast is het mogelijk om een waterpijp te roken. De waterpijp wordt aangeboden met houtskool en tabak.
(…)
2.5
Administratie
[bedrijf 1] voert de administratie in het boekhoudpakket Exact. Inkopen en omzet worden op totaalniveau geboekt. Het administratiekantoor maakt onderscheidt naar hoog en laag tarief maar niet naar productsoort. De heer [persoon 1] bevestigt dat je de inkopen wel kunt terugvinden in de crediteurenkaart. Facturen registreert [bedrijf 1] op boekstuknummer.
2.5.1
Kasadministratie
De kassa maakt [X] dagelijks op, 1 x per week of 2 weken ontvangt [bedrijf 1] de administratie. In het kassasysteem is de omzet naar productgroep geregistreerd. In de administratie is deze onderverdeling naar productgroep niet meer terug te vinden. Alle omzetten worden verdicht opgenomen.
In 2017 worden er nieuwe kassa's aangeschaft.
Conclusie
-Sinds 10 april 2014 doet hij zeer veel inkopen ten aanzien van waterpijpkooltjes, waterpijpen en toebehoren.
-Op 10 april 2014 koopt hij Mola Mix, een vloeistof die alleen gebruikt wordt voor waterpijptabak, de hoeveelheid is genoeg voor 16 kilo waterpijptabak.
- Op 12 oktober 2016 neemt de Douane 46,25 kilo waterpijptabak in beslag. Dat is 31 kilo meer dan opgenomen in de boekhouding
- De heer [persoon 5] gaat na de douanecontrole (12 oktober 2016) omzet boeken ten aanzien van waterpijptabak. Na deze datum worden er echter geen inkopen waterpijptabak meer gedaan.
-Op zijn eigen facebookspagina staan foto's van mensen die aan de waterpijp zitten in het shishalounge gedeelte. Veel mensen klagen over de waterpijptabakslucht.
-Op zijn eigen website wordt [X] omschreven als [website] .
-Hij maakt op Youtube vanaf mei 2014 reclame voor het gebruik van de waterpijp.
Kortom de eigen website, facebook en overige social media hebben het over waterpijptabak. Er staan foto's en reviews over het gebruik hiervan. Er worden waterpijpen en toebehoren ingekocht. In de boekhouding is op 1 factuur na niets te vinden van inkopen waterpijptabak! De heer [persoon 5] heeft dus andere bronnen waar de waterpijptabak wordt ingekocht. Van deze bronnen kan de heer [persoon 5] niet aantonen dat de accijns betaalt is. De heer [persoon 5] heeft dan accijnsgoederen voorhanden gehad waarover geen accijns is afgedragen.
(…)
3 Controlebevindingen
(…)
3.3
Intra Communautaire Transacties
Belastingplichtige heeft de volgende intra communautaire transacties verricht in het tweede kwartaal van 2014:
(…)
Verschil
Het verschil (€ 1.108,81) aan inkopen is niet verantwoord in de boekhouding. Er zijn geen inkoopfacturen aanwezig.
3.4
Conclusie
De administratie vertoont zodanig grote gebreken dat deze niet kan dienen als uitgangspunt voor mijn onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de inkopen waterpijptabak. Hiervoor zal uitgegaan worden van het causale verband tussen de inkopen houtskool (zie 2.6) met de verkopen - en daaruit afgeleid - de inkopen waterpijptabak. Voor iedere dienst die geleverd wordt aan een klant die waterpijptabak wil roken is houtskool nodig.
Bij het aanbieden van de waterpijp wordt 20 gram houtskool en 20 gram tabak geleverd. De verhouding is dus 1:1. (cijfers ontleent van de leverancier en het douanelaboratorium).Dit levert de volgende berekening op:
(…)
Op basis van deze berekening is tijdens de controleperiode ten minste 6963,5 kg waterpijptabak ingekocht. Hierover zijn geen accijnsaangiften ingediend.”
2.7.
Op 27 juni 2019 heeft de inspecteur de in geding zijnde informatiebeschikking genomen op de grond dat belanghebbende zijns inziens niet aan de administratieplicht heeft voldaan:
“Op 9 mei 2017 ben ik bij u gestart met een boekenonderzoek het voorhanden hebben van accijns en verbruiksbelastinggoederen en de juistheid en volledigheid van de afdracht accijns en verbruiksbelastingen (…). De controleperiode is van 01-01-2012 tot en met 31 maart 2016.
(…)
Voor uw gemak heb ik een overzicht bijgevoegd waarop staat welke informatie nog moet worden verstrekt
- Ik mis ICT-facturen in 2014 voor € 1108.81
- Een uitworp van uw digitale kassa over 2014 tot en met 2016
- lk mis meer dan 6917 kilo aan inkopen waterpijptabak, ik wil alle facturen vanaf 2014 tot en met 2016
Z-afslagen ove 2014 tot en met 2016 met ook de volgende gegevens:
* De Grand Totals
* het aantal keren: Lade Open
* afdrukken van de omzetten per productgroep
(…)
Ik heb u en uw boekhouder aangegeven dat ik zonder deze gegevens geen juiste administratieve controle kan uitvoeren
Informatie beschikking
Onder verwijzing naar artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) stel ik vast dat u niet heeft voldaan aan de op u rustende administratieplicht ingevolge artikel 52 lid 6 van de AWR. Hierin wordt aangegeven dat de administratie zodanig dient te worden ingericht dat de controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Dit is echter met betrekking tot de administratie van [persoon 5] ten aanzien van de [X] B.V niet mogelijk.”
2.8.
Het tegen de informatiebeschikking gemaakte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard.
Geschil
In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de informatiebeschikking terecht is genomen. De formulering van de gronden van het beroep en het hoger beroep is woordelijk zo goed als identiek.
Beoordeling
Vooraf: ontbreken procesdossier
4.1.
Over de klacht van belanghebbende over de toezending van het procesdossier heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“14. Voor zover [belanghebbende] haar stelling handhaaft dat zij in beroep niet het procesdossier heeft ontvangen, faalt deze grief. Bij brieven van 30 juni 2023, 6 juli 2023 en 19 januari 2024 heeft de rechtbank alle stukken [die] ontvangen zijn van [de inspecteur] aan [belanghebbende] verzonden.”
4.2.
Voor zover het Hof kan nagaan in het hem ter beschikking staande dossier, is hetgeen is vermeld in de tweede zin van de hiervoor geciteerde overweging juist. Nu belanghebbende voorts op geen enkele manier concretiseert welke postzendingen of processtukken zij niet heeft ontvangen, faalt de klacht over de toezending van stukken daarom ook in hoger beroep.
Ten gronde
4.3.
Voorop staat dat alleen de rechtmatigheid van een informatiebeschikking ter beoordeling voorligt. In dat verband komt het erop aan of belanghebbende met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2016 heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4.4.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat haar administratie toegankelijk en controleerbaar was voor de controleambtenaren en dat de inspecteur “slechts is uitgegaan van subjectieve aannames en (…) niet [heeft] kunnen vaststellen dat appellant daadwerkelijk artikel 52 AWR heeft geschonden.”
4.5.
De inspecteur verwijt belanghebbende daarentegen niet aan de administratieplicht te hebben voldaan, vooral omdat inkoopfacturen van waterpijptabak geheel ontbreken, terwijl die tabak wel moet zijn ingekocht. In dat kader heeft hij gewezen op (i) de (onveraccijnsde) waterpijptabak die bij de fysieke controle op 12 oktober 2016 is aangetroffen, (ii) de omzet uit ‘shisha’ die belanghebbende sinds die datum boekt, (iii) de berichten op internet die erop wijzen dat al vanaf 2014 waterpijp wordt gerookt in de horecagelegenheid, (iv) de inkopen van waterpijpen en benodigdheden daarvoor die volgens de administratie plaatsvinden sinds 2014 en (v) twee bij ‘ [bedrijf 2] ’ aangetroffen, aan belanghebbende gerichte facturen voor waterpijptabak die bij belanghebbende niet in de administratie zijn teruggevonden. Het verwijt van de inspecteur voor het niet voldoen aan de administratieplicht is verder gegrond op het niet-bewaren van elektronische kassabestanden over de periode 2012 tot en met 2016 en op het ontbreken van facturen in verband met intracommunautaire transacties die een buitenlandse leverancier op het btw-identificatienummer van belanghebbende heeft ‘gelist’.
4.6.1.
Evenals de rechtbank komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende niet aan de administratieplicht heeft voldaan. De in 4.4 weergegeven grief van belanghebbende faalt daarom.
4.6.2.
De inspecteur heeft ten eerste behoorlijk gesubstantieerd gesteld dat belanghebbende waterpijptabak heeft ingekocht en dat van die inkopen in haar administratie niets is terug te vinden. Dat is het duidelijkst aan de orde bij de twee aan belanghebbende gerichte facturen voor waterpijptabak die zijn aangetroffen bij ‘ [bedrijf 2] ’. Bovendien indiceren de in 4.5 genoemde omstandigheden tezamen dat reeds vanaf 2014 waterpijp kon worden gerookt in de horecagelegenheid. In bezwaar (maar niet meer expliciet in beroep of hoger beroep) heeft belanghebbende daartegenover slechts niet of nauwelijks onderbouwde verklaringen gesteld die, zoals de inspecteur schrijft in zijn uitspraak op bezwaar, in belangrijke mate ontwijkend zijn ten aanzien van de genoemde omstandigheden. Het Hof acht het daarom aannemelijk dat belanghebbende vanaf 2014 niet alleen waterpijpen en diverse benodigdheden anders dan de tabak daarvoor heeft ingekocht, maar ook waterpijptabak. Niet bestreden is verder dat geen vastleggingen van inkopen van waterpijptabak in de administratie aanwezig waren/zijn, in het bijzonder geen inkoopfacturen.
4.6.3.
Ten tweede heeft belanghebbende de onderbouwde stelling van de inspecteur, dat zij elektronische kassabestanden over de periode van 2012 tot en met 2016 niet heeft bewaard tot het einde van de bewaartermijn van zeven jaar, en dat niet alle gegevens uit die bestanden aan de inspecteur zijn verstrekt, niet gemotiveerd betwist. Daarom kan die stelling voor juist worden gehouden. Voor de stelling van de inspecteur dat een of meer facturen betreffende intracommunautaire transacties ontbreken in de administratie, geldt hetzelfde.
4.7.
De in de administratie ontbrekende gegevens kunnen verder voor de belastingheffing van belang zijn. Zo had de inspecteur daarmee nader onderzoek kunnen doen naar de vraag of belanghebbende (meer) onveraccijnsde waterpijptabak voorhanden heeft gehad en zij als gevolg daarvan accijns verschuldigd is geworden. Bovendien zijn de tekortkomingen in de administratie niet van zo weinig gewicht dat zij omkering en verzwaring van de bewijslast niet rechtvaardigen, en is overmacht evenmin aan de orde.
4.8.
De rechtbank heeft ook met betrekking tot de overige grieven van belanghebbende terecht geoordeeld dat zij falen, aangezien:
de bevoegdheid van de controlerende ambtenaar om de controle uit te voeren blijkt uit een afschrift uit het centraal bevoegdhedenregister dat tot de stukken van het geding behoort;
de cautieplicht van artikel 5:10a, lid 2, van de Awb in dezen irrelevant is, omdat de informatiebeschikking niet een bestraffende sanctie inhoudt, en
het niet valt in te zien waarom de vrijheid van ondernemerschap van artikel 16 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie in de weg zou staan aan handhaving van de administratieplicht ten aanzien van belanghebbende.
4.9.
Tot slot heeft belanghebbende geen grieven aangevoerd tegen het oordeel dat zij geen nadere termijn krijgt om alsnog aan de administratieplicht te voldoen, al zou dat ook niet meer kunnen, en heeft de rechtbank reeds een toereikende vergoeding van immateriële schade toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
Conclusie
4.10.
Het hoger beroep is ongegrond.
5Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 4 februari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3180
4 februari 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. M. Djamal)
tegen de uitspraak van 18 maart 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/1779 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Douane, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende, betreffende een informatiebeschikking, alsmede op haar verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 3.000;
- veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 218,75; en
- draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 365 te vergoeden.”
1.2.
In hoger beroep heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend, waarvan zij de gronden later heeft aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Feiten
Het Hof gaat uit van de volgende, in hoofdzaak reeds door de rechtbank vastgestelde feiten, die partijen in hoger beroep niet hebben bestreden.
2.1.
Belanghebbende exploiteert een horecagelegenheid, gevestigd aan de [A-straat] te [Z] (hierna: de horecagelegenheid).
2.2.
Op 12 oktober 2016 heeft de Douane bij een fysieke controle in de horecagelegenheid de aanwezigheid geconstateerd van ruim 46 kilogram waterpijptabak die niet was voorzien van Nederlandse accijnszegels.
2.3.
Vervolgens heeft de inspecteur bij brief van 24 april 2017 aan belanghebbende een administratieve controle aangekondigd over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2016. De controle betreft een onderzoek naar de ontvangst van goederen waarvoor accijns of verbruiksbelasting is verschuldigd. In de brief is onder meer het volgende vermeld:
“Voor een vlotte start van de controle is het noodzakelijk dat u de volgende gegevens op de dag van het onderzoek beschikbaar heeft:
- rekeningschema van de administratie;
- organigram met vermelding van de afdelingen van het bedrijf;
- de jaarstukken met kolommenbalans, grootboek, sub-administraties, specificaties van de
journaalposten, kladadministratie en dergelijke;
- accijnsadministratie;
- facturen en bankbescheiden;
- inventarisatie en voorraadverloop accijnsgoederen
- Audit files van de administratie van 2012 tot en met 2016”
2.4.
Op 9 mei 2017 heeft daarna een inleidend gesprek voor de controle plaatsgevonden. In een verslag van dat gesprek is - voor zover van belang - het volgende vermeld:
“Aanwezig:
[persoon 1] – boekhouder, [bedrijf 1]
[persoon 2] – eigenaar, [X]
[persoon 3] – Administratieve controle, Douane Amsterdam
[persoon 4] – accountant, Douane Amsterdam
Inleiding
[persoon 3] geeft aan dat hij opdracht heeft gekregen tot het verrichten van een administratieve controle i.v.m. de aangetroffen 45kg waterpijptabak bij een fysieke controle.
(…)
Inkopen waterpijp
[X] koopt haar waterpijptabak in bij één leverancier in “ [bedrijf 2] ”. De kooltjes koopt [X] in bij [bedrijf 3] . [persoon 2] geeft aan dat ze dezelfde kolen gebruiken voor de grill en de waterpijp.
(…)
Administratie
De Kassa maakt [X] dagelijks op. 1 x per week of 2 weken ontvangt [bedrijf 1] de administratie. In het kassasysteem is de omzet naar productgroep geregistreerd in de administratie niet.
Het administratiekantoor [bedrijf 1] voert de boekhouding van [X] . Inkopen en omzet worden op totaalniveau geboekt. Het administratiekantoor maakt onderscheidt naar hoog en laag tarief maar niet naar productsoort. [persoon 1] bevestigt dat je de inkopen wel kunt terugvinden in de crediteurenkaart. Facturen registreert [bedrijf 1] op boekstuknummer. [bedrijf 1] voert de administratie in het boekhoudpakket Exact. [bedrijf 1] heeft per entiteit een separate administratie ingericht. [X] Bv is de enige bv waar waterpijptabak wordt verkocht.
Het boekhoudkantoor heeft in de controleperiode haar naam gewijzigd en heeft hierdoor een nieuwe licentie voor Exact moeten aanschaffen.
(…)
Kassasysteem [X]
heeft een digitaal kassasysteem. Het afgelopen weekend, eind april is het kassasysteem incl. de hardware vervangen. [persoon 2] bevestigt aan [persoon 3] dat het mogelijk is de oude hardware op te starten.
Op te leveren documenten
[persoon 3] geeft aan dat hij graag een download uit het kassasysteem per productgroep over de controlejaren ontvangt. Daarnaast ontvangt hij graag de auditfiles en de jaarstukken van de entiteiten over de controlejaren tot en met 2015. Voor 2016 ontvangen wij een kwartaalrapportage over Q1.
Jaarstukken
[persoon 1] geeft aan dat de jaarstukken 2015 rond zijn. [persoon 1] is nog bezig met de jaarstukken van 2016. Dit houdt verband met de rechtszaak met de huisbaas van [X] . Het is nog onvoldoende duidelijk hoe dat uitpakt.
Voorraadinventarisatie
Op 31/12 vindt een globale inventarisatie plaats. De voorraad van [X] bedraagt circa EUR 2.500 per jaar. De administrateur vraagt de kok zijn voorraad door te geven en van de drank maakt de eigenaar een globale inschatting. De waterpijptabak ligt alleen in het restaurant [X] opgeslagen. [bedrijf 1] boekt per jaareinde alle samenhangende inkopen terug naar voorraad middels een memoriaalboeking. Van inventarisatie vinden geen vastleggingen plaats.”
2.5.
Bij brief van 22 juni 2017 heeft de inspecteur informatie opgevraagd bij belanghebbende en heeft hij verzocht informatie te verstrekken vóór 29 juli 2017. In die brief is onder andere het volgende vermeld:
“Tijdens het onderzoek heb ik u gevraagd naar de auditfiles van 2012 tot en met 2016 en een uitworp van de kassasystemen en de bijbehorende kassabonnen over deze jaren. Ik heb de auditfiles van uw boekhouder gehad. Deze auditfiles zijn echter niet compleet.
Ik heb u meerdere malen verzocht om deze informatie alsnog aan te leveren. Ik heb u op 24 mei en 2 juni 2017 daartoe een mail verzonden. Ook heb ik u meerdere malen telefonisch proberen te bereiken (24, 29, 30 mei en 21 juni 2016. Op 1 juni ben ik bij uw onderneming langs geweest. U was echter niet aanwezig en het personeel wat aanwezig was wist hoe u te bereiken was. Ook ben ik nog bij uw boekhouder geweest. Zijn kantoor was echter opgeheven.
(…)
Voor uw gemak heb ik een overzicht bijgevoegd waarop staat welke informatie nog moet worden verstrekt:
- De juiste auditfiles van 2012 tot en met 2016
- Een uitworp van uw digitale kassa over dezelfde periode
- De kassabonnen over deze periode”
2.6.
Tot de stukken van het geding behoort een gewijzigde versie van het rapport dat de controleambtenaren hebben opgesteld naar aanleiding van voormelde controle, gedagtekend 8 oktober 2018. In dit rapport is onder andere het volgende vermeld met betrekking tot de administratie van belanghebbende:
“2 Algemeen
2.1
Bedrijfsactiviteiten
De bedrijfsactiviteit bestaat uit de exploitatie van een grillrestaurant met een apart shisha lounge gedeelte. Het Shisha gedeelte is gestart op 10 april 2014.
2.2
Goederenassortiment
Het goederenassortiment bestaat onder andere uit alcoholvrije dranken, koffie, thee, en allerlei soorten maaltijden. Daarnaast is het mogelijk om een waterpijp te roken. De waterpijp wordt aangeboden met houtskool en tabak.
(…)
2.5
Administratie
[bedrijf 1] voert de administratie in het boekhoudpakket Exact. Inkopen en omzet worden op totaalniveau geboekt. Het administratiekantoor maakt onderscheidt naar hoog en laag tarief maar niet naar productsoort. De heer [persoon 1] bevestigt dat je de inkopen wel kunt terugvinden in de crediteurenkaart. Facturen registreert [bedrijf 1] op boekstuknummer.
2.5.1
Kasadministratie
De kassa maakt [X] dagelijks op, 1 x per week of 2 weken ontvangt [bedrijf 1] de administratie. In het kassasysteem is de omzet naar productgroep geregistreerd. In de administratie is deze onderverdeling naar productgroep niet meer terug te vinden. Alle omzetten worden verdicht opgenomen.
In 2017 worden er nieuwe kassa's aangeschaft.
Conclusie
-Sinds 10 april 2014 doet hij zeer veel inkopen ten aanzien van waterpijpkooltjes, waterpijpen en toebehoren.
-Op 10 april 2014 koopt hij Mola Mix, een vloeistof die alleen gebruikt wordt voor waterpijptabak, de hoeveelheid is genoeg voor 16 kilo waterpijptabak.
- Op 12 oktober 2016 neemt de Douane 46,25 kilo waterpijptabak in beslag. Dat is 31 kilo meer dan opgenomen in de boekhouding
- De heer [persoon 5] gaat na de douanecontrole (12 oktober 2016) omzet boeken ten aanzien van waterpijptabak. Na deze datum worden er echter geen inkopen waterpijptabak meer gedaan.
-Op zijn eigen facebookspagina staan foto's van mensen die aan de waterpijp zitten in het shishalounge gedeelte. Veel mensen klagen over de waterpijptabakslucht.
-Op zijn eigen website wordt [X] omschreven als [website] .
-Hij maakt op Youtube vanaf mei 2014 reclame voor het gebruik van de waterpijp.
Kortom de eigen website, facebook en overige social media hebben het over waterpijptabak. Er staan foto's en reviews over het gebruik hiervan. Er worden waterpijpen en toebehoren ingekocht. In de boekhouding is op 1 factuur na niets te vinden van inkopen waterpijptabak! De heer [persoon 5] heeft dus andere bronnen waar de waterpijptabak wordt ingekocht. Van deze bronnen kan de heer [persoon 5] niet aantonen dat de accijns betaalt is. De heer [persoon 5] heeft dan accijnsgoederen voorhanden gehad waarover geen accijns is afgedragen.
(…)
3 Controlebevindingen
(…)
3.3
Intra Communautaire Transacties
Belastingplichtige heeft de volgende intra communautaire transacties verricht in het tweede kwartaal van 2014:
(…)
Verschil
Het verschil (€ 1.108,81) aan inkopen is niet verantwoord in de boekhouding. Er zijn geen inkoopfacturen aanwezig.
3.4
Conclusie
De administratie vertoont zodanig grote gebreken dat deze niet kan dienen als uitgangspunt voor mijn onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de inkopen waterpijptabak. Hiervoor zal uitgegaan worden van het causale verband tussen de inkopen houtskool (zie 2.6) met de verkopen - en daaruit afgeleid - de inkopen waterpijptabak. Voor iedere dienst die geleverd wordt aan een klant die waterpijptabak wil roken is houtskool nodig.
Bij het aanbieden van de waterpijp wordt 20 gram houtskool en 20 gram tabak geleverd. De verhouding is dus 1:1. (cijfers ontleent van de leverancier en het douanelaboratorium).Dit levert de volgende berekening op:
(…)
Op basis van deze berekening is tijdens de controleperiode ten minste 6963,5 kg waterpijptabak ingekocht. Hierover zijn geen accijnsaangiften ingediend.”
2.7.
Op 27 juni 2019 heeft de inspecteur de in geding zijnde informatiebeschikking genomen op de grond dat belanghebbende zijns inziens niet aan de administratieplicht heeft voldaan:
“Op 9 mei 2017 ben ik bij u gestart met een boekenonderzoek het voorhanden hebben van accijns en verbruiksbelastinggoederen en de juistheid en volledigheid van de afdracht accijns en verbruiksbelastingen (…). De controleperiode is van 01-01-2012 tot en met 31 maart 2016.
(…)
Voor uw gemak heb ik een overzicht bijgevoegd waarop staat welke informatie nog moet worden verstrekt
- Ik mis ICT-facturen in 2014 voor € 1108.81
- Een uitworp van uw digitale kassa over 2014 tot en met 2016
- lk mis meer dan 6917 kilo aan inkopen waterpijptabak, ik wil alle facturen vanaf 2014 tot en met 2016
Z-afslagen ove 2014 tot en met 2016 met ook de volgende gegevens:
* De Grand Totals
* het aantal keren: Lade Open
* afdrukken van de omzetten per productgroep
(…)
Ik heb u en uw boekhouder aangegeven dat ik zonder deze gegevens geen juiste administratieve controle kan uitvoeren
Informatie beschikking
Onder verwijzing naar artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) stel ik vast dat u niet heeft voldaan aan de op u rustende administratieplicht ingevolge artikel 52 lid 6 van de AWR. Hierin wordt aangegeven dat de administratie zodanig dient te worden ingericht dat de controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Dit is echter met betrekking tot de administratie van [persoon 5] ten aanzien van de [X] B.V niet mogelijk.”
2.8.
Het tegen de informatiebeschikking gemaakte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard.
Geschil
In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de informatiebeschikking terecht is genomen. De formulering van de gronden van het beroep en het hoger beroep is woordelijk zo goed als identiek.
Beoordeling
Vooraf: ontbreken procesdossier
4.1.
Over de klacht van belanghebbende over de toezending van het procesdossier heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“14. Voor zover [belanghebbende] haar stelling handhaaft dat zij in beroep niet het procesdossier heeft ontvangen, faalt deze grief. Bij brieven van 30 juni 2023, 6 juli 2023 en 19 januari 2024 heeft de rechtbank alle stukken [die] ontvangen zijn van [de inspecteur] aan [belanghebbende] verzonden.”
4.2.
Voor zover het Hof kan nagaan in het hem ter beschikking staande dossier, is hetgeen is vermeld in de tweede zin van de hiervoor geciteerde overweging juist. Nu belanghebbende voorts op geen enkele manier concretiseert welke postzendingen of processtukken zij niet heeft ontvangen, faalt de klacht over de toezending van stukken daarom ook in hoger beroep.
Ten gronde
4.3.
Voorop staat dat alleen de rechtmatigheid van een informatiebeschikking ter beoordeling voorligt. In dat verband komt het erop aan of belanghebbende met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2016 heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4.4.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat haar administratie toegankelijk en controleerbaar was voor de controleambtenaren en dat de inspecteur “slechts is uitgegaan van subjectieve aannames en (…) niet [heeft] kunnen vaststellen dat appellant daadwerkelijk artikel 52 AWR heeft geschonden.”
4.5.
De inspecteur verwijt belanghebbende daarentegen niet aan de administratieplicht te hebben voldaan, vooral omdat inkoopfacturen van waterpijptabak geheel ontbreken, terwijl die tabak wel moet zijn ingekocht. In dat kader heeft hij gewezen op (i) de (onveraccijnsde) waterpijptabak die bij de fysieke controle op 12 oktober 2016 is aangetroffen, (ii) de omzet uit ‘shisha’ die belanghebbende sinds die datum boekt, (iii) de berichten op internet die erop wijzen dat al vanaf 2014 waterpijp wordt gerookt in de horecagelegenheid, (iv) de inkopen van waterpijpen en benodigdheden daarvoor die volgens de administratie plaatsvinden sinds 2014 en (v) twee bij ‘ [bedrijf 2] ’ aangetroffen, aan belanghebbende gerichte facturen voor waterpijptabak die bij belanghebbende niet in de administratie zijn teruggevonden. Het verwijt van de inspecteur voor het niet voldoen aan de administratieplicht is verder gegrond op het niet-bewaren van elektronische kassabestanden over de periode 2012 tot en met 2016 en op het ontbreken van facturen in verband met intracommunautaire transacties die een buitenlandse leverancier op het btw-identificatienummer van belanghebbende heeft ‘gelist’.
4.6.1.
Evenals de rechtbank komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende niet aan de administratieplicht heeft voldaan. De in 4.4 weergegeven grief van belanghebbende faalt daarom.
4.6.2.
De inspecteur heeft ten eerste behoorlijk gesubstantieerd gesteld dat belanghebbende waterpijptabak heeft ingekocht en dat van die inkopen in haar administratie niets is terug te vinden. Dat is het duidelijkst aan de orde bij de twee aan belanghebbende gerichte facturen voor waterpijptabak die zijn aangetroffen bij ‘ [bedrijf 2] ’. Bovendien indiceren de in 4.5 genoemde omstandigheden tezamen dat reeds vanaf 2014 waterpijp kon worden gerookt in de horecagelegenheid. In bezwaar (maar niet meer expliciet in beroep of hoger beroep) heeft belanghebbende daartegenover slechts niet of nauwelijks onderbouwde verklaringen gesteld die, zoals de inspecteur schrijft in zijn uitspraak op bezwaar, in belangrijke mate ontwijkend zijn ten aanzien van de genoemde omstandigheden. Het Hof acht het daarom aannemelijk dat belanghebbende vanaf 2014 niet alleen waterpijpen en diverse benodigdheden anders dan de tabak daarvoor heeft ingekocht, maar ook waterpijptabak. Niet bestreden is verder dat geen vastleggingen van inkopen van waterpijptabak in de administratie aanwezig waren/zijn, in het bijzonder geen inkoopfacturen.
4.6.3.
Ten tweede heeft belanghebbende de onderbouwde stelling van de inspecteur, dat zij elektronische kassabestanden over de periode van 2012 tot en met 2016 niet heeft bewaard tot het einde van de bewaartermijn van zeven jaar, en dat niet alle gegevens uit die bestanden aan de inspecteur zijn verstrekt, niet gemotiveerd betwist. Daarom kan die stelling voor juist worden gehouden. Voor de stelling van de inspecteur dat een of meer facturen betreffende intracommunautaire transacties ontbreken in de administratie, geldt hetzelfde.
4.7.
De in de administratie ontbrekende gegevens kunnen verder voor de belastingheffing van belang zijn. Zo had de inspecteur daarmee nader onderzoek kunnen doen naar de vraag of belanghebbende (meer) onveraccijnsde waterpijptabak voorhanden heeft gehad en zij als gevolg daarvan accijns verschuldigd is geworden. Bovendien zijn de tekortkomingen in de administratie niet van zo weinig gewicht dat zij omkering en verzwaring van de bewijslast niet rechtvaardigen, en is overmacht evenmin aan de orde.
4.8.
De rechtbank heeft ook met betrekking tot de overige grieven van belanghebbende terecht geoordeeld dat zij falen, aangezien:
de bevoegdheid van de controlerende ambtenaar om de controle uit te voeren blijkt uit een afschrift uit het centraal bevoegdhedenregister dat tot de stukken van het geding behoort;
de cautieplicht van artikel 5:10a, lid 2, van de Awb in dezen irrelevant is, omdat de informatiebeschikking niet een bestraffende sanctie inhoudt, en
het niet valt in te zien waarom de vrijheid van ondernemerschap van artikel 16 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie in de weg zou staan aan handhaving van de administratieplicht ten aanzien van belanghebbende.
4.9.
Tot slot heeft belanghebbende geen grieven aangevoerd tegen het oordeel dat zij geen nadere termijn krijgt om alsnog aan de administratieplicht te voldoen, al zou dat ook niet meer kunnen, en heeft de rechtbank reeds een toereikende vergoeding van immateriële schade toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
Conclusie
4.10.
Het hoger beroep is ongegrond.
5Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 4 februari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.