Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-05-20
ECLI:NL:GHAMS:2025:1332
Strafrecht
Raadkamer
2,966 tokens
Dictum
op het wrakingsverzoek ingediend door
[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
bijgestaan door mr. J.C. Duin, advocaat te Alkmaar,
hierna: verzoeker.
Procesverloop
1.1.
De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar van 6 februari 2024, waarbij verzoeker ter zake van diefstal en het voorhanden hebben van wapens en munitie is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken met aftrek van het voorarrest. Bij appelschriftuur van 4 maart 2024 heeft verzoeker hoger beroep tegen voornoemd vonnis ingesteld en verzocht een getuige te mogen horen, welk verzoek door dit hof op 22 oktober 2024 is toegestaan.
1.2.
Namens verzoeker heeft mr. Duin op 22 april 2025, tijdens het verhoor van de getuige, mondeling de wraking verzocht van de raadsheer-commissaris mr. H.S.G. Verhoeff (hierna: de raadsheer-commissaris).
1.3.
De raadsheer-commissaris heeft op 29 april 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.
1.4.
Het openbaar ministerie heeft op 5 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.
1.5.
Het wrakingsverzoek is op 7 mei 2025 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting waren aanwezig:
- mr. Duin, advocaat te Alkmaar,
- mr. A.C. Bijlsma, advocaat-generaal.
De raadsheer-commissaris heeft laten weten niet te zullen verschijnen.
2Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover
2.1.
De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het proces-verbaal van verhoor getuige van 22 april 2025, opgemaakt door de raadsheer-commissaris. De advocaat van verzoeker heeft het verzoek op de zitting van de wrakingskamer toegelicht aan de hand van op schrift gestelde pleitnotities. Samengevat vindt verzoeker het volgende. De reden om de desbetreffende getuige, een politieambtenaar, te horen is dat een door hem opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, waarin een voorwerp als stroomstootwapen is gedetermineerd, een belastende strekking heeft en cruciaal is geweest voor de bewezenverklaring van een van de tenlastegelegde feiten. Het ondervragingsrecht is daarom van belang in het kader van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Verzoeker betwist de determinatie. De verdediging wenst daarom het bedoelde proces-verbaal van bevindingen te kunnen voorhouden aan de getuige en daarover vragen te kunnen stellen, teneinde de determinatie op betrouwbaarheid en juistheid te kunnen toetsen. De raadsheer-commissaris heeft het voorhouden van het proces-verbaal echter geweigerd en heeft voorts het stellen van (gesloten) vragen door de verdediging belet. Daarmee heeft de raadsheer-commissaris contra legem gehandeld, in die zin dat de wet de mogelijkheid tot het beletten van het stellen van vragen niet kent. Naar objectieve maatstaven is daarom de vrees gerechtvaardigd dat het de raadsheer-commissaris bij de behandeling van de zaak jegens verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt. Immers wordt hiermee het voeren van een gedegen verdediging belemmerd evident zonder gegronde reden.
2.2.
De raadsheer-commissaris heeft in haar schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berust. Samengevat betwist de raadsheer-commissaris de stelling van de raadsman dat op grond van hetgeen door hem daartoe is aangevoerd sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.3.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Beoordeling
Juridisch kader
3.1.
Artikel 512 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.
3.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
Beoordeling
3.3.
Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek in wezen ten grondslag gelegd dan dat de raadsheer-commissaris in strijd met de wet en de eisen van een eerlijk proces de verdediging heeft belet (i) bepaalde vragen aan een getuige te stellen en (ii) de getuige (passages uit) een door hemzelf opgesteld proces-verbaal van bevindingen voor te houden. Een rechterlijke (tussen)beslissing kan als zodanig echter geen grond vormen voor wraking. Dat geldt zelfs als de wrakingskamer die beslissing onjuist acht of de motivering ervan onbegrijpelijk of te summier vindt. Alleen als uit de motivering van de beslissing, bezien in het licht van alle omstandigheden, waaronder de bewoordingen van die motivering, objectief bezien vooringenomenheid blijkt, ligt het anders. Dat is hier echter niet het geval. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek niet toewijsbaar is.
Dictum
De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. I.A. van der Burg, mr. M.L.M. van der Voet en mr. W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van mr. R.J. den Arend als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025.
Dictum
op het wrakingsverzoek ingediend door
[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
bijgestaan door mr. J.C. Duin, advocaat te Alkmaar,
hierna: verzoeker.
Procesverloop
1.1.
De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar van 6 februari 2024, waarbij verzoeker ter zake van diefstal en het voorhanden hebben van wapens en munitie is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken met aftrek van het voorarrest. Bij appelschriftuur van 4 maart 2024 heeft verzoeker hoger beroep tegen voornoemd vonnis ingesteld en verzocht een getuige te mogen horen, welk verzoek door dit hof op 22 oktober 2024 is toegestaan.
1.2.
Namens verzoeker heeft mr. Duin op 22 april 2025, tijdens het verhoor van de getuige, mondeling de wraking verzocht van de raadsheer-commissaris mr. H.S.G. Verhoeff (hierna: de raadsheer-commissaris).
1.3.
De raadsheer-commissaris heeft op 29 april 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.
1.4.
Het openbaar ministerie heeft op 5 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.
1.5.
Het wrakingsverzoek is op 7 mei 2025 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting waren aanwezig:
- mr. Duin, advocaat te Alkmaar,
- mr. A.C. Bijlsma, advocaat-generaal.
De raadsheer-commissaris heeft laten weten niet te zullen verschijnen.
2Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover
2.1.
De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het proces-verbaal van verhoor getuige van 22 april 2025, opgemaakt door de raadsheer-commissaris. De advocaat van verzoeker heeft het verzoek op de zitting van de wrakingskamer toegelicht aan de hand van op schrift gestelde pleitnotities. Samengevat vindt verzoeker het volgende. De reden om de desbetreffende getuige, een politieambtenaar, te horen is dat een door hem opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, waarin een voorwerp als stroomstootwapen is gedetermineerd, een belastende strekking heeft en cruciaal is geweest voor de bewezenverklaring van een van de tenlastegelegde feiten. Het ondervragingsrecht is daarom van belang in het kader van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Verzoeker betwist de determinatie. De verdediging wenst daarom het bedoelde proces-verbaal van bevindingen te kunnen voorhouden aan de getuige en daarover vragen te kunnen stellen, teneinde de determinatie op betrouwbaarheid en juistheid te kunnen toetsen. De raadsheer-commissaris heeft het voorhouden van het proces-verbaal echter geweigerd en heeft voorts het stellen van (gesloten) vragen door de verdediging belet. Daarmee heeft de raadsheer-commissaris contra legem gehandeld, in die zin dat de wet de mogelijkheid tot het beletten van het stellen van vragen niet kent. Naar objectieve maatstaven is daarom de vrees gerechtvaardigd dat het de raadsheer-commissaris bij de behandeling van de zaak jegens verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt. Immers wordt hiermee het voeren van een gedegen verdediging belemmerd evident zonder gegronde reden.
2.2.
De raadsheer-commissaris heeft in haar schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berust. Samengevat betwist de raadsheer-commissaris de stelling van de raadsman dat op grond van hetgeen door hem daartoe is aangevoerd sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.3.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Beoordeling
Juridisch kader
3.1.
Artikel 512 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.
3.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
Beoordeling
3.3.
Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek in wezen ten grondslag gelegd dan dat de raadsheer-commissaris in strijd met de wet en de eisen van een eerlijk proces de verdediging heeft belet (i) bepaalde vragen aan een getuige te stellen en (ii) de getuige (passages uit) een door hemzelf opgesteld proces-verbaal van bevindingen voor te houden. Een rechterlijke (tussen)beslissing kan als zodanig echter geen grond vormen voor wraking. Dat geldt zelfs als de wrakingskamer die beslissing onjuist acht of de motivering ervan onbegrijpelijk of te summier vindt. Alleen als uit de motivering van de beslissing, bezien in het licht van alle omstandigheden, waaronder de bewoordingen van die motivering, objectief bezien vooringenomenheid blijkt, ligt het anders. Dat is hier echter niet het geval. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek niet toewijsbaar is.
Dictum
De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. I.A. van der Burg, mr. M.L.M. van der Voet en mr. W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van mr. R.J. den Arend als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025.