Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-01
ECLI:NL:GHAMS:2025:1297
Strafrecht
Hoger beroep
5,362 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002280-24
datum uitspraak: 1 april 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van
16 december 2022 in de strafzaak onder de parketnummers 16-317455-22 en 21-006498-19 (TUL) tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1990,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. De verdachte is bij voormeld vonnis vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is beperkt tot de veroordeling in het vonnis voor hetgeen de verdachte onder 1 ten laste is gelegd en de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 5 december 2022 te Soest opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 95,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 0,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de bewezenverklaring en de vordering tenuitvoerlegging tot andere beslissingen komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld hetgeen hem ten laste is gelegd.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 5 december 2022 volgt dat de verbalisanten op die datum te Soest een Volkswagen Polo hebben zien rijden. De verdachte bleek de bestuurder en tevens enige inzittende van de personenauto te zijn. In de personenauto is vervolgens 95,4 gram amfetamine en 0,2 gram cocaïne aangetroffen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de amfetamine en cocaïne heeft vervoerd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep zijn opzet op het tenlastegelegde handelen niet weersproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 5 december 2022 te Soest opzettelijk heeft vervoerd 95,4 gram amfetamine en 0,2 gram cocaïne.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als die in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van cocaïne en amfetamine. Dergelijke harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en leiden veelal tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 maart 2025 is de verdachte op 26 mei 2021 onherroepelijk veroordeeld voor Opiumwetdelicten tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden nogmaals in de fout te gaan.
De redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in hoger beroep overschreden. Namens de verdachte is op 19 december 2022 hoger beroep ingesteld en het hof spreekt dit arrest uit op 1 april 2025. Het gaat daarmee om een overschrijding van drieënhalve maand. Gelet op de beperkte duur van de overschrijding en de totale duur van de procedure in twee instanties, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt het aan deze overschrijding geen gevolgen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Geen andere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf komt in aanmerking gelet op de ernst van het feit en de recidive. Het hof ziet in de bewezenverklaring van het impliciet primair tenlastegelegde geen aanleiding om een hogere straf op te leggen dan in eerste aanleg is opgelegd.
Beslag
Bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit zijn de volgende verdovende middelen in beslag genomen:
1 1 STK Verdovende Middelen;
1 1 STK Opium.
De in beslag genomen verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2021 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1 1 STK Verdovende Middelen (G3085964);
1 1 STK Opium (G3085956).
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1 1 STK geldbedrag (1900 EUR) (G3085978);
1 1 STK geldbedrag (600 EUR) (G3085979);
1 1 STK geldbedrag (1500 EUR) (G3085990);
1 1 STK Telefoontoestel (G3085966);
1 1 STK Simkaart van zaktelefoon (G3085972);
1 1 STK Simkaart van zaktelefoon (G3085973);
1 1 STK Telefoontoestel (G3085965);
1 1 STK Sleutelbos (G3085963);
1 1 STK Personenauto (G2948653).
Beveelt de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2021, parketnummer 21-006498-19, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige af.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. R.D. van Heffen en
mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2025.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002280-24
datum uitspraak: 1 april 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van
16 december 2022 in de strafzaak onder de parketnummers 16-317455-22 en 21-006498-19 (TUL) tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1990,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. De verdachte is bij voormeld vonnis vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is beperkt tot de veroordeling in het vonnis voor hetgeen de verdachte onder 1 ten laste is gelegd en de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 5 december 2022 te Soest opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 95,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 0,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de bewezenverklaring en de vordering tenuitvoerlegging tot andere beslissingen komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld hetgeen hem ten laste is gelegd.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 5 december 2022 volgt dat de verbalisanten op die datum te Soest een Volkswagen Polo hebben zien rijden. De verdachte bleek de bestuurder en tevens enige inzittende van de personenauto te zijn. In de personenauto is vervolgens 95,4 gram amfetamine en 0,2 gram cocaïne aangetroffen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de amfetamine en cocaïne heeft vervoerd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep zijn opzet op het tenlastegelegde handelen niet weersproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 5 december 2022 te Soest opzettelijk heeft vervoerd 95,4 gram amfetamine en 0,2 gram cocaïne.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als die in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van cocaïne en amfetamine. Dergelijke harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en leiden veelal tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 maart 2025 is de verdachte op 26 mei 2021 onherroepelijk veroordeeld voor Opiumwetdelicten tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden nogmaals in de fout te gaan.
De redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in hoger beroep overschreden. Namens de verdachte is op 19 december 2022 hoger beroep ingesteld en het hof spreekt dit arrest uit op 1 april 2025. Het gaat daarmee om een overschrijding van drieënhalve maand. Gelet op de beperkte duur van de overschrijding en de totale duur van de procedure in twee instanties, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt het aan deze overschrijding geen gevolgen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Geen andere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf komt in aanmerking gelet op de ernst van het feit en de recidive. Het hof ziet in de bewezenverklaring van het impliciet primair tenlastegelegde geen aanleiding om een hogere straf op te leggen dan in eerste aanleg is opgelegd.
Beslag
Bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit zijn de volgende verdovende middelen in beslag genomen:
1 1 STK Verdovende Middelen;
1 1 STK Opium.
De in beslag genomen verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2021 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1 1 STK Verdovende Middelen (G3085964);
1 1 STK Opium (G3085956).
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1 1 STK geldbedrag (1900 EUR) (G3085978);
1 1 STK geldbedrag (600 EUR) (G3085979);
1 1 STK geldbedrag (1500 EUR) (G3085990);
1 1 STK Telefoontoestel (G3085966);
1 1 STK Simkaart van zaktelefoon (G3085972);
1 1 STK Simkaart van zaktelefoon (G3085973);
1 1 STK Telefoontoestel (G3085965);
1 1 STK Sleutelbos (G3085963);
1 1 STK Personenauto (G2948653).
Beveelt de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2021, parketnummer 21-006498-19, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige af.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. R.D. van Heffen en
mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2025.
=
===
[…]