Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-03
ECLI:NL:GHAMS:2025:1223
Strafrecht
Hoger beroep
1,400 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002776-24
datum uitspraak: 3 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-332674-23 (hierna: zaak A) en 15-139891-24 (hierna: zaak B), alsmede 15-313168-20 (TUL), 15-255431-22 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
adres: [adres] .
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep. Blijkens de appelschriftuur was het hoger beroep gericht tegen de strafmaat. Bij e-mail van 26 maart 2025 en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie, gelet op de recente ontwikkelingen aangaande de verdachte, de grieven niet langer handhaaft en de beëindiging van het appel wenst, met het oog op de (voorlopige) tenuitvoerlegging van de in eerste aanleg voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel. Om die reden heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Gelet op het voorgaande en gehoord de verdediging is het hof van oordeel dat, nu niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de zaak, waarbij het hof tevens heeft meegewogen dat de verdachte zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, het openbaar ministerie op grond van het in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. C.J. van der Wilt en mr. M.C. van der Mei, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 april 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002776-24
datum uitspraak: 3 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-332674-23 (hierna: zaak A) en 15-139891-24 (hierna: zaak B), alsmede 15-313168-20 (TUL), 15-255431-22 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
adres: [adres] .
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep. Blijkens de appelschriftuur was het hoger beroep gericht tegen de strafmaat. Bij e-mail van 26 maart 2025 en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie, gelet op de recente ontwikkelingen aangaande de verdachte, de grieven niet langer handhaaft en de beëindiging van het appel wenst, met het oog op de (voorlopige) tenuitvoerlegging van de in eerste aanleg voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel. Om die reden heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Gelet op het voorgaande en gehoord de verdediging is het hof van oordeel dat, nu niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de zaak, waarbij het hof tevens heeft meegewogen dat de verdachte zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, het openbaar ministerie op grond van het in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. C.J. van der Wilt en mr. M.C. van der Mei, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 april 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.