Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-22
ECLI:NL:GHAMS:2025:1075
Civiel recht
Hoger beroep
8,234 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.345.464/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/324055 / HA ZA 22-28
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 april 2025
in de zaak van
[appellant]
,
gevestigd te [plaats 1] , gemeente Voorne aan Zee,
appellante,
advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. den Hartog te Utrecht.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1De zaak in het kort
[appellant] heeft een auto gekocht van [geïntimeerde] . Iets meer dan een jaar later blijkt de motor van de auto beschadigd. De rechtbank heeft een deskundige onderzoek laten doen naar de oorzaak van de motorschade. Volgens de deskundige is de oorzaak van de motorschade het binnentreden van (hemel)water in een cilinder van de motor, en is de oorzaak niet gelegen in een fabrieksfout of technisch gebrek aan de motor. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van non-conformiteit van de auto en de (schadevergoedings)vordering van [appellant] afgewezen.
Procesverloop
[appellant] is bij dagvaarding van 29 juli 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 12 juni 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
Bij tussenarrest van 24 september 2024 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald. Deze heeft vervolgens niet plaatsgevonden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Feiten
De rechtbank heeft in 3.1 t/m 3.15 van het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 18 januari 2023 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat, en voor zover relevant in hoger beroep, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerde] is een dealer van onder meer het [merk] .
3.2.
[bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) houdt zich bezig met het ‘tunen’ van auto’s. Dat betekent het optimaliseren van vermogen en verbruik van de motor.
3.3.
Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is op 3 april 2020 een koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de koop en levering van een personenauto, [merk] , [type] , [beschrijving] , met [kenteken] (hierna: de auto).
3.4.
Het kenteken deel I van de auto is uitgegeven op 3 juni 2019, zodat de fabrieksgarantie van twee jaar op 3 juni 2021 afliep. De kilometerstand van de auto was ten tijde van de koopovereenkomst 3.599 km. De koopprijs van de auto was € 100.000 inclusief btw.
3.5.
[appellant] heeft vervolgens de auto laten tunen door [bedrijf] waarbij het vermogen van de auto is verhoogd.
3.6.
Op 24 augustus 2021 heeft [appellant] bij [bedrijf] telefonisch melding gemaakt van een storing in de motor van de auto. [bedrijf] heeft diezelfde dag per e-mail aan [appellant] laten weten dat de garantietermijn verloopt na twee jaar vanaf de datum eerste toelating en niet na twee jaar vanaf de installatie (de tuning).
3.7.
De auto is onderzocht door Audi Centrum Rotterdam. Deze is tot de conclusie gekomen dat een geheel nieuwe motor moet worden gemonteerd.
3.8.
[geïntimeerde] heeft op 15 september 2021 twee offertes aan [appellant] uitgebracht voor reparatie van de motor, één inclusief turbo voor € 21.500 en één zonder turbo voor € 20.750, beide inclusief btw.
3.9.
Partijen hebben ieder onderzoek laten doen naar de oorzaak van het defect raken van de motor van de auto. [appellant] door de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), en [geïntimeerde] door CED Nederland B.V.
4Eerste aanleg
4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 36.997,20, vermeerderd met wettelijke handelsrente;
[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 7.829,50 als redelijke vergoeding voor stilstand van de auto;
subsidiair:
- de koopovereenkomst te ontbinden en [geïntimeerde] te veroordelen een bedrag van € 80.000 te voldoen ter zake van het restant van de hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente;
meer subsidiair:
- [geïntimeerde] te veroordelen een bedrag te betalen van € 20.000,00 aan (extra) afschrijvingskosten;
en in alle gevallen:
- [geïntimeerde] te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.105,62 en in de proceskosten.
4.2.
In het tussenvonnis van 18 januari 2023 heeft de rechtbank overwogen dat de beoordeling van de vraag of sprake is van non-conformiteit van (de motor van) de auto ten tijde van de aankoop, zal afhangen van de vraag of kan worden vastgesteld dat bij aankoop sprake was van een fabrieksfout die er toe heeft geleid dat de motor zodanig beschadigd is dat deze vervangen moet worden. De rechtbank heeft overwogen dat de bewijslast hierbij rust op [appellant] , en dat zij voornemens is een deskundige te benoemen om genoemde vraag te beantwoorden.
4.3.
Na uitlating door partijen heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 22 maart 2023 een deskundigenonderzoek door [naam 2] (hierna: de deskundige) bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Is de oorzaak van de schade aan de motor vast te stellen? Zo ja, wat is de oorzaak
van de schade aan de motor? Is die oorzaak gelegen in een fabrieksfout of in een
andere oorzaak, zoals de tuning?
2. Als de oorzaak van de schade is gelegen in een fabrieksfout, kan de tuning aan de
schade hebben bijgedragen en zo ja in welke mate?
3. Beschikt u over informatie waaruit volgt dat fabrieksfouten in de drijfstanglagers een bekend probleem is bij Audi's?
4. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens
u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
4.4.
De deskundige heeft op 14 februari 2024, voor zover relevant, als volgt gerapporteerd:
“(…)
OORZAAK / CONCLUSIE
Aan de hand van de ons verstrekte dossierinformatie en het zeer uitgebreide onderzoek aan de motor van het voertuig zijn wij, aan de hand van de vragen van de rechtbank, tot de volgende conclusies gekomen:
Vraag 1. Is de oorzaak van de schade aan de motor vast te stellen? Zo ja, wat is dan de oorzaak van de schade aan de motor? Is die oorzaak gelegen in een fabrieksfout of in een andere oorzaak, zoals tuning.
Antwoord De oorzaak van de motorschade is het gevolg van het binnentreden van (hemel)water in de cilinder. De schade aan de drijfstanglager is het gevolg van een piekbelasting hierop als gevolg van het comprimeren van (hemel)water in de cilinder. Als gevolg van het binnentreden van (hemel)water in de vierde cilinder van de motor is er een gebrek aan smering van de cilinder/zuiger ontstaan. Het binnentreden van (hemel)water in de vierde cilinder wordt bevestigd door het beeld van schoonspoelen van kool op de zuiger van de vierde cilinder. De door ons waargenomen vreetsporen aan de cilinderwand en zuiger van de vierde cilinder zijn hiervan een gevolg.
De in de motorolie aangetroffen lichte vervuiling van brandstof heeft betrekking op een verstoring van de verbranding in de vierde cilinder van de motor. De tijdens het verbrandingsproces in de vierde cilinder gespoten brandstof zal hierdoor niet volledig kunnen verbranden, en langs de cilinder naar het carter van de motor worden afgevoerd.
De hier aanwezige motorolie zal hiermee worden vervuild.
Uit ons onderzoek kan worden vastgesteld dat de motorschade niet, aantoonbaar, het gevolg is van de toegepaste tuning van de motor. Tuning van de motor kan leiden tot een overbelasting van de in de motor aanwezige draaiende en bewegende delen en tot een detonerende verbranding met bijbehorende schade aan de zuigerveren en diens groeve in de zuiger(s). Hiervan is in de schade aan de motor van het bovengenoemde voertuig geen sprake.
Wij hebben eveneens geen sporen van een technisch gebrek aan de motor waargenomen waardoor de schade hieraan is ontstaan. Alle hierop betrekking hebbende delen, welke tijdens het door ons uitgevoerde zeer uitgebreide onderzoek aan de motor van het voertuig werden geïnspecteerd, vertonen hiervan geen sporen.
Voor zover wij hebben kunnen vaststellen aan de motor van het voertuig, is de schade aan de vierde cilinder het gevolg van een van buitenaf komende oorzaak. Er is vocht/water in de vierde cilinder kunnen komen, waar wij geen technisch aantoonbare oorzaak aan de motor van hebben kunnen vaststellen.
Vraag 2. Als de oorzaak van de schade is gelegen in een fabrieksfout, kan de tuning dan aan de schade hebben bijgedragen en zo ja in welke mate?
Antwoord Voor het beantwoorden van deze vraag verwijzen wij naar de vragen/
antwoorden onder vraag 1.
Beoordeling
5.1
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van zijn vordering. Deze vordering – in hoger beroep gewijzigd in verband met een verkoop van de auto – luidt dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om aan [appellant] een bedrag van € 51.194 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
5.2.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, en tot veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met rente en met begroting van de nakosten.
5.3.
Met grieven I tot en met III bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat uit het deskundigenrapport volgt dat wat betreft het defect aan de motor geen sprake is van een fabrieksfout maar van een externe oorzaak, en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.4.
[appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte de deskundige heeft gevolgd in diens conclusie dat de oorzaak van de motorschade het gevolg is van het binnentreden van (hemel)water in een cilinder van de motor. Volgens [appellant] is het technisch niet mogelijk dat beschadiging door binnentredend water zich slechts voordoet in één cilinder. De deskundige heeft echter, in antwoord op de vraag die [appellant] hierover had gesteld, voldoende begrijpelijk uitgelegd waarom het technisch wel mogelijk is dat het binnentreden van (hemel)water zich beperkt tot één cilinder van de motor. [appellant] voert verder aan dat de cilinderkop van de onderzochte cilinder niet beschadigd was door vervorming en in correcte toestand verkeerde. Volgens [appellant] was dit anders geweest als van bovenaf (hemel)water in de cilinder zou zijn gekomen. [appellant] onderbouwt deze stelling echter niet, en licht niet toe waarom de aanwezigheid van een niet-beschadigde cilinderkop zich niet verdraagt met intredend water in die cilinder als schadeoorzaak van de motor. [appellant] stelt verder dat de aanwezigheid van grote hoeveelheden fijn slijpsel in de motorolie zich niet verdraagt met de schadeoorzaak die door de deskundige is vastgesteld; volgens [appellant] zouden dan grotere brokken metaal in de olie moeten zijn aangetroffen. Het hof overweegt dat de deskundige heeft onderkend dat het monster van de motorolie een hoog slijtagebeeld vertoont, en voldoende begrijpelijk heeft uitgelegd dat dit schadebeeld (slijtage aan de drijfstanglager) het gevolg is van een piekbelasting op de drijfstanglager als gevolg van het comprimeren van (hemel) water in de cilinder. Waarom grotere brokken metaal in de olie aanwezig hadden moeten zijn, heeft [appellant] niet toegelicht. [appellant] heeft evenmin onderbouwd waarom, zoals hij stelt, de sensoren in de motor zonder meer melding zouden hebben gemaakt van de door de deskundige genoemde onvolledige verbranding in de cilinder, terwijl ook de deskundige heeft geconstateerd dat geen storingen in de regelunit van de motor waren opgeslagen maar kennelijk heeft geoordeeld dat dit niet in de weg staat aan zijn oordeel over de schadeoorzaak.
5.5.
[appellant] voert verder aan dat de deskundige niet heeft aangetoond of uitgelegd hoe het (hemel)water in de cilinder van de motor terecht kan zijn gekomen. [appellant] bestrijdt de overweging van de rechtbank dat de wijze waarop de auto is gebruikt de externe schadeoorzaak lijkt te zijn geweest, en de overweging dat het enkele gegeven dat er water tot de motor heeft kunnen doordringen niet maakt dat de auto non-conform is omdat vrijwel geen enkele auto bestand is tegen het rijden door een diepe plas. Volgens [appellant] is de rechtbank hiermee buiten de rechtsstrijd getreden omdat [geïntimeerde] niet zou hebben gesteld dat [appellant] met de auto door een diepe plas is gereden. Dat is echter niet juist. [geïntimeerde] heeft in haar conclusie na deskundigenbericht het binnentreden van water in de cilinder verklaard door het aanzuigen van water door een draaiende motor tijdens het gebruik van de auto door [appellant] , bijvoorbeeld door rijden met hevige regen en/of door een grote plas. Dit door [geïntimeerde] genoemde scenario is in lijn met de bevindingen van de deskundige. In het licht hiervan is de stelling van [appellant] dat een auto voor normaal gebruik door diepe plassen moet kunnen rijden zonder dat er water in de motor komt, onvoldoende onderbouwd.
5.6.
Uit wat [appellant] heeft aangevoerd volgt ook voor het overige niet dat wat betreft de oorzaak van het defect aan de motor van de auto sprake is geweest van een fabrieksfout of technisch gebrek aan de auto.
5.7.
Uit het voorgaande volgt dat grieven I tot en met III falen. Daarmee faalt ook grief IV. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt:
- griffierecht € 2.175
- salaris advocaat € 2.213 (tarief IV, 1 punt)
Totaal € 4.388
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 4.388 en op € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, M.S.A. van Dam en M. Spanjaart, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 april 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.345.464/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/324055 / HA ZA 22-28
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 april 2025
in de zaak van
[appellant]
,
gevestigd te [plaats 1] , gemeente Voorne aan Zee,
appellante,
advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. den Hartog te Utrecht.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1De zaak in het kort
[appellant] heeft een auto gekocht van [geïntimeerde] . Iets meer dan een jaar later blijkt de motor van de auto beschadigd. De rechtbank heeft een deskundige onderzoek laten doen naar de oorzaak van de motorschade. Volgens de deskundige is de oorzaak van de motorschade het binnentreden van (hemel)water in een cilinder van de motor, en is de oorzaak niet gelegen in een fabrieksfout of technisch gebrek aan de motor. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van non-conformiteit van de auto en de (schadevergoedings)vordering van [appellant] afgewezen.
Procesverloop
[appellant] is bij dagvaarding van 29 juli 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 12 juni 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
Bij tussenarrest van 24 september 2024 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald. Deze heeft vervolgens niet plaatsgevonden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Feiten
De rechtbank heeft in 3.1 t/m 3.15 van het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 18 januari 2023 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat, en voor zover relevant in hoger beroep, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerde] is een dealer van onder meer het [merk] .
3.2.
[bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) houdt zich bezig met het ‘tunen’ van auto’s. Dat betekent het optimaliseren van vermogen en verbruik van de motor.
3.3.
Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is op 3 april 2020 een koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de koop en levering van een personenauto, [merk] , [type] , [beschrijving] , met [kenteken] (hierna: de auto).
3.4.
Het kenteken deel I van de auto is uitgegeven op 3 juni 2019, zodat de fabrieksgarantie van twee jaar op 3 juni 2021 afliep. De kilometerstand van de auto was ten tijde van de koopovereenkomst 3.599 km. De koopprijs van de auto was € 100.000 inclusief btw.
3.5.
[appellant] heeft vervolgens de auto laten tunen door [bedrijf] waarbij het vermogen van de auto is verhoogd.
3.6.
Op 24 augustus 2021 heeft [appellant] bij [bedrijf] telefonisch melding gemaakt van een storing in de motor van de auto. [bedrijf] heeft diezelfde dag per e-mail aan [appellant] laten weten dat de garantietermijn verloopt na twee jaar vanaf de datum eerste toelating en niet na twee jaar vanaf de installatie (de tuning).
3.7.
De auto is onderzocht door Audi Centrum Rotterdam. Deze is tot de conclusie gekomen dat een geheel nieuwe motor moet worden gemonteerd.
3.8.
[geïntimeerde] heeft op 15 september 2021 twee offertes aan [appellant] uitgebracht voor reparatie van de motor, één inclusief turbo voor € 21.500 en één zonder turbo voor € 20.750, beide inclusief btw.
3.9.
Partijen hebben ieder onderzoek laten doen naar de oorzaak van het defect raken van de motor van de auto. [appellant] door de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), en [geïntimeerde] door CED Nederland B.V.
4Eerste aanleg
4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 36.997,20, vermeerderd met wettelijke handelsrente;
[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 7.829,50 als redelijke vergoeding voor stilstand van de auto;
subsidiair:
- de koopovereenkomst te ontbinden en [geïntimeerde] te veroordelen een bedrag van € 80.000 te voldoen ter zake van het restant van de hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente;
meer subsidiair:
- [geïntimeerde] te veroordelen een bedrag te betalen van € 20.000,00 aan (extra) afschrijvingskosten;
en in alle gevallen:
- [geïntimeerde] te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.105,62 en in de proceskosten.
4.2.
In het tussenvonnis van 18 januari 2023 heeft de rechtbank overwogen dat de beoordeling van de vraag of sprake is van non-conformiteit van (de motor van) de auto ten tijde van de aankoop, zal afhangen van de vraag of kan worden vastgesteld dat bij aankoop sprake was van een fabrieksfout die er toe heeft geleid dat de motor zodanig beschadigd is dat deze vervangen moet worden. De rechtbank heeft overwogen dat de bewijslast hierbij rust op [appellant] , en dat zij voornemens is een deskundige te benoemen om genoemde vraag te beantwoorden.
4.3.
Na uitlating door partijen heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 22 maart 2023 een deskundigenonderzoek door [naam 2] (hierna: de deskundige) bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Is de oorzaak van de schade aan de motor vast te stellen? Zo ja, wat is de oorzaak
van de schade aan de motor? Is die oorzaak gelegen in een fabrieksfout of in een
andere oorzaak, zoals de tuning?
2. Als de oorzaak van de schade is gelegen in een fabrieksfout, kan de tuning aan de
schade hebben bijgedragen en zo ja in welke mate?
3. Beschikt u over informatie waaruit volgt dat fabrieksfouten in de drijfstanglagers een bekend probleem is bij Audi's?
4. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens
u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
4.4.
De deskundige heeft op 14 februari 2024, voor zover relevant, als volgt gerapporteerd:
“(…)
OORZAAK / CONCLUSIE
Aan de hand van de ons verstrekte dossierinformatie en het zeer uitgebreide onderzoek aan de motor van het voertuig zijn wij, aan de hand van de vragen van de rechtbank, tot de volgende conclusies gekomen:
Vraag 1. Is de oorzaak van de schade aan de motor vast te stellen? Zo ja, wat is dan de oorzaak van de schade aan de motor? Is die oorzaak gelegen in een fabrieksfout of in een andere oorzaak, zoals tuning.
Antwoord De oorzaak van de motorschade is het gevolg van het binnentreden van (hemel)water in de cilinder. De schade aan de drijfstanglager is het gevolg van een piekbelasting hierop als gevolg van het comprimeren van (hemel)water in de cilinder. Als gevolg van het binnentreden van (hemel)water in de vierde cilinder van de motor is er een gebrek aan smering van de cilinder/zuiger ontstaan. Het binnentreden van (hemel)water in de vierde cilinder wordt bevestigd door het beeld van schoonspoelen van kool op de zuiger van de vierde cilinder. De door ons waargenomen vreetsporen aan de cilinderwand en zuiger van de vierde cilinder zijn hiervan een gevolg.
De in de motorolie aangetroffen lichte vervuiling van brandstof heeft betrekking op een verstoring van de verbranding in de vierde cilinder van de motor. De tijdens het verbrandingsproces in de vierde cilinder gespoten brandstof zal hierdoor niet volledig kunnen verbranden, en langs de cilinder naar het carter van de motor worden afgevoerd.
De hier aanwezige motorolie zal hiermee worden vervuild.
Uit ons onderzoek kan worden vastgesteld dat de motorschade niet, aantoonbaar, het gevolg is van de toegepaste tuning van de motor. Tuning van de motor kan leiden tot een overbelasting van de in de motor aanwezige draaiende en bewegende delen en tot een detonerende verbranding met bijbehorende schade aan de zuigerveren en diens groeve in de zuiger(s). Hiervan is in de schade aan de motor van het bovengenoemde voertuig geen sprake.
Wij hebben eveneens geen sporen van een technisch gebrek aan de motor waargenomen waardoor de schade hieraan is ontstaan. Alle hierop betrekking hebbende delen, welke tijdens het door ons uitgevoerde zeer uitgebreide onderzoek aan de motor van het voertuig werden geïnspecteerd, vertonen hiervan geen sporen.
Voor zover wij hebben kunnen vaststellen aan de motor van het voertuig, is de schade aan de vierde cilinder het gevolg van een van buitenaf komende oorzaak. Er is vocht/water in de vierde cilinder kunnen komen, waar wij geen technisch aantoonbare oorzaak aan de motor van hebben kunnen vaststellen.
Vraag 2. Als de oorzaak van de schade is gelegen in een fabrieksfout, kan de tuning dan aan de schade hebben bijgedragen en zo ja in welke mate?
Antwoord Voor het beantwoorden van deze vraag verwijzen wij naar de vragen/
antwoorden onder vraag 1.
Beoordeling
5.1
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van zijn vordering. Deze vordering – in hoger beroep gewijzigd in verband met een verkoop van de auto – luidt dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om aan [appellant] een bedrag van € 51.194 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
5.2.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, en tot veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met rente en met begroting van de nakosten.
5.3.
Met grieven I tot en met III bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat uit het deskundigenrapport volgt dat wat betreft het defect aan de motor geen sprake is van een fabrieksfout maar van een externe oorzaak, en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.4.
[appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte de deskundige heeft gevolgd in diens conclusie dat de oorzaak van de motorschade het gevolg is van het binnentreden van (hemel)water in een cilinder van de motor. Volgens [appellant] is het technisch niet mogelijk dat beschadiging door binnentredend water zich slechts voordoet in één cilinder. De deskundige heeft echter, in antwoord op de vraag die [appellant] hierover had gesteld, voldoende begrijpelijk uitgelegd waarom het technisch wel mogelijk is dat het binnentreden van (hemel)water zich beperkt tot één cilinder van de motor. [appellant] voert verder aan dat de cilinderkop van de onderzochte cilinder niet beschadigd was door vervorming en in correcte toestand verkeerde. Volgens [appellant] was dit anders geweest als van bovenaf (hemel)water in de cilinder zou zijn gekomen. [appellant] onderbouwt deze stelling echter niet, en licht niet toe waarom de aanwezigheid van een niet-beschadigde cilinderkop zich niet verdraagt met intredend water in die cilinder als schadeoorzaak van de motor. [appellant] stelt verder dat de aanwezigheid van grote hoeveelheden fijn slijpsel in de motorolie zich niet verdraagt met de schadeoorzaak die door de deskundige is vastgesteld; volgens [appellant] zouden dan grotere brokken metaal in de olie moeten zijn aangetroffen. Het hof overweegt dat de deskundige heeft onderkend dat het monster van de motorolie een hoog slijtagebeeld vertoont, en voldoende begrijpelijk heeft uitgelegd dat dit schadebeeld (slijtage aan de drijfstanglager) het gevolg is van een piekbelasting op de drijfstanglager als gevolg van het comprimeren van (hemel) water in de cilinder. Waarom grotere brokken metaal in de olie aanwezig hadden moeten zijn, heeft [appellant] niet toegelicht. [appellant] heeft evenmin onderbouwd waarom, zoals hij stelt, de sensoren in de motor zonder meer melding zouden hebben gemaakt van de door de deskundige genoemde onvolledige verbranding in de cilinder, terwijl ook de deskundige heeft geconstateerd dat geen storingen in de regelunit van de motor waren opgeslagen maar kennelijk heeft geoordeeld dat dit niet in de weg staat aan zijn oordeel over de schadeoorzaak.
5.5.
[appellant] voert verder aan dat de deskundige niet heeft aangetoond of uitgelegd hoe het (hemel)water in de cilinder van de motor terecht kan zijn gekomen. [appellant] bestrijdt de overweging van de rechtbank dat de wijze waarop de auto is gebruikt de externe schadeoorzaak lijkt te zijn geweest, en de overweging dat het enkele gegeven dat er water tot de motor heeft kunnen doordringen niet maakt dat de auto non-conform is omdat vrijwel geen enkele auto bestand is tegen het rijden door een diepe plas. Volgens [appellant] is de rechtbank hiermee buiten de rechtsstrijd getreden omdat [geïntimeerde] niet zou hebben gesteld dat [appellant] met de auto door een diepe plas is gereden. Dat is echter niet juist. [geïntimeerde] heeft in haar conclusie na deskundigenbericht het binnentreden van water in de cilinder verklaard door het aanzuigen van water door een draaiende motor tijdens het gebruik van de auto door [appellant] , bijvoorbeeld door rijden met hevige regen en/of door een grote plas. Dit door [geïntimeerde] genoemde scenario is in lijn met de bevindingen van de deskundige. In het licht hiervan is de stelling van [appellant] dat een auto voor normaal gebruik door diepe plassen moet kunnen rijden zonder dat er water in de motor komt, onvoldoende onderbouwd.
5.6.
Uit wat [appellant] heeft aangevoerd volgt ook voor het overige niet dat wat betreft de oorzaak van het defect aan de motor van de auto sprake is geweest van een fabrieksfout of technisch gebrek aan de auto.
5.7.
Uit het voorgaande volgt dat grieven I tot en met III falen. Daarmee faalt ook grief IV. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt:
- griffierecht € 2.175
- salaris advocaat € 2.213 (tarief IV, 1 punt)
Totaal € 4.388
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 4.388 en op € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, M.S.A. van Dam en M. Spanjaart, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 april 2025.