Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-17
ECLI:NL:GHAMS:2025:1027
Strafrecht
Hoger beroep
3,292 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001930-21 (ontneming)
Datum uitspraak: 17 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 juni 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met parketnummer 15-283874-20 tegen de betrokkene:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
adres: [adres 1] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg schriftelijk gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr wordt geschat, wordt vastgesteld op € 121.195,95 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De rechtbank heeft bij vonnis van 29 juni 2021 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op voornoemd bedrag en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Veroordeling in de strafzaak
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 juni 2021 veroordeeld ter zake van – kort gezegd en voor zover hier van belang – het telen van 352 hennepplanten in de periode van 28 augustus 2019 tot en met 23 oktober 2019. Bij arrest van dit hof van 17 april 2025 (parketnummer
23-001929-21) is dit vonnis, behalve ten aanzien van de strafoplegging, bevestigd.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
- de eerste twee zinnen van de eerste alinea op pagina 3 (beginnend met “Aan de hand” en eindigend met “niet meegerekend”) niet overneemt en vervangt door de volgende overweging:
“Aan de hand van een aantal aanknopingspunten – zoals het verhoogde watergebruik en de vervuiling van de twee kweekruimtes en de daarin gebruikte materialen – heeft de politie de ontnemingsperiode bepaald op 29 januari 2019 tot en met 23 oktober 2019. Uit het dossier blijkt onder meer dat het filterdoek van de koolstoffilters sterk was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestigingsband van het filterdoek, bleek dat op de plaatsen waar deze bevestigingsband over het filterdoek had gezeten, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur had dan het overige filterdoek. Volgens de politie kan worden vastgesteld dat de koolstoffilters daar al meerdere oogsten hingen en aan vervanging toe waren. Daarnaast waren de slangen in de kweekruimte en in de schuur van de woning, de kappen van de verlichtingsarmaturen en de ventilatoren sterk vervuild. Ook heeft de verbalisant nog nooit isolatieschuim gezien dat zo sterk was verkleurd als het isolatieschuim dat is gebruikt om het plafond in de hennepkwekerij te isoleren. De politie is uitgegaan van drie eerdere oogsten, waarbij de tijdens de inval aangetroffen kweek, van acht weken oud, niet is meegerekend.”;
een door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer bespreekt, zoals hieronder is weergegeven;
paragraaf 5.4 ‘Betalingsverplichting’ aanvult met de hieronder weergegeven overweging ten aanzien van de redelijke termijn.
Bespreking van een verweer
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat het watergebruik ten opzichte van 2018 of 2016 opvallend is. Voor zover de raadsman heeft bedoeld dat het watergebruik daarom geen aanknopingspunt kan zijn voor het bepalen van de ontnemingsperiode, overweegt het hof als volgt. Uit het dossier blijkt dat op het adres [adres 2] in de periode van 28 oktober 2018 tot 23 oktober 2019 237.000 liter water is verbruikt, terwijl een waterverbruik van 46.000 liter per jaar gebruikelijk is. Dat in de jaren 2016 en 2018 – met een waterverbruik van 444.000 respectievelijk 286.000 liter – ook sprake is van een meer dan gemiddeld waterverbruik, betekent niet dat geen sprake is van een verhoogd watergebruik in de periode van 28 oktober 2018 tot 23 oktober 2019. Dit zou juist een aanwijzing kunnen zijn dat voor een langere periode is gekweekt.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden. Op 2 juli 2021 is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Omdat het hof op 17 april 2025 arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 21 maanden overschreden. Met deze overschrijding is in de strafzaak reeds rekening gehouden, in de zin van een vermindering van de op te leggen straf. Het hof zal om die reden de overschrijding in de ontnemingszaak enkel constateren en daaraan geen verder gevolg verbinden.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. A.W.T. Klappe en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 april 2025.
Een proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2020, p. 178 tot en met 182, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
Een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e tweede lid Sr van 27 augustus 2020, p. 208, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (het ontnemingsrapport).
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001930-21 (ontneming)
Datum uitspraak: 17 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 juni 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met parketnummer 15-283874-20 tegen de betrokkene:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
adres: [adres 1] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg schriftelijk gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr wordt geschat, wordt vastgesteld op € 121.195,95 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De rechtbank heeft bij vonnis van 29 juni 2021 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op voornoemd bedrag en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Veroordeling in de strafzaak
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 juni 2021 veroordeeld ter zake van – kort gezegd en voor zover hier van belang – het telen van 352 hennepplanten in de periode van 28 augustus 2019 tot en met 23 oktober 2019. Bij arrest van dit hof van 17 april 2025 (parketnummer
23-001929-21) is dit vonnis, behalve ten aanzien van de strafoplegging, bevestigd.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
- de eerste twee zinnen van de eerste alinea op pagina 3 (beginnend met “Aan de hand” en eindigend met “niet meegerekend”) niet overneemt en vervangt door de volgende overweging:
“Aan de hand van een aantal aanknopingspunten – zoals het verhoogde watergebruik en de vervuiling van de twee kweekruimtes en de daarin gebruikte materialen – heeft de politie de ontnemingsperiode bepaald op 29 januari 2019 tot en met 23 oktober 2019. Uit het dossier blijkt onder meer dat het filterdoek van de koolstoffilters sterk was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestigingsband van het filterdoek, bleek dat op de plaatsen waar deze bevestigingsband over het filterdoek had gezeten, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur had dan het overige filterdoek. Volgens de politie kan worden vastgesteld dat de koolstoffilters daar al meerdere oogsten hingen en aan vervanging toe waren. Daarnaast waren de slangen in de kweekruimte en in de schuur van de woning, de kappen van de verlichtingsarmaturen en de ventilatoren sterk vervuild. Ook heeft de verbalisant nog nooit isolatieschuim gezien dat zo sterk was verkleurd als het isolatieschuim dat is gebruikt om het plafond in de hennepkwekerij te isoleren. De politie is uitgegaan van drie eerdere oogsten, waarbij de tijdens de inval aangetroffen kweek, van acht weken oud, niet is meegerekend.”;
een door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer bespreekt, zoals hieronder is weergegeven;
paragraaf 5.4 ‘Betalingsverplichting’ aanvult met de hieronder weergegeven overweging ten aanzien van de redelijke termijn.
Bespreking van een verweer
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat het watergebruik ten opzichte van 2018 of 2016 opvallend is. Voor zover de raadsman heeft bedoeld dat het watergebruik daarom geen aanknopingspunt kan zijn voor het bepalen van de ontnemingsperiode, overweegt het hof als volgt. Uit het dossier blijkt dat op het adres [adres 2] in de periode van 28 oktober 2018 tot 23 oktober 2019 237.000 liter water is verbruikt, terwijl een waterverbruik van 46.000 liter per jaar gebruikelijk is. Dat in de jaren 2016 en 2018 – met een waterverbruik van 444.000 respectievelijk 286.000 liter – ook sprake is van een meer dan gemiddeld waterverbruik, betekent niet dat geen sprake is van een verhoogd watergebruik in de periode van 28 oktober 2018 tot 23 oktober 2019. Dit zou juist een aanwijzing kunnen zijn dat voor een langere periode is gekweekt.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden. Op 2 juli 2021 is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Omdat het hof op 17 april 2025 arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 21 maanden overschreden. Met deze overschrijding is in de strafzaak reeds rekening gehouden, in de zin van een vermindering van de op te leggen straf. Het hof zal om die reden de overschrijding in de ontnemingszaak enkel constateren en daaraan geen verder gevolg verbinden.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. A.W.T. Klappe en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 april 2025.
Een proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2020, p. 178 tot en met 182, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
Een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e tweede lid Sr van 27 augustus 2020, p. 208, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (het ontnemingsrapport).