Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-17
ECLI:NL:GHAMS:2024:977
Strafrecht
Hoger beroep
2,275 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000477-21
datum uitspraak: 9 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 februari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-163577-19 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1962,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en hun advocaat naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 maart 2000 tot en met 30 november 2005 in de gemeente Zandvoort, in elk geval in Nederland, met [benadeelde 1] (geboren op [geboortedag 2] 1996), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 1], hebbende verdachte (telkens)
- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [benadeelde 1] geduwd en/of gebracht, en/of - zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde 1] geduwd en/of gebracht, en/of - de vagina en/of de schaamstreek van die [benadeelde 1] betast;
en/of
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 maart 2000 tot en met 30 november 2005 in de gemeente Zandvoort, in elk geval in Nederland, met [benadeelde 1] (geboren op [geboortedag 2] 1996), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het betasten van de vagina en/of de schaamstreek van die [benadeelde 1];
2. primairhij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2000 tot en met 31 december 2005 in de gemeente Zandvoort, in elk geval in Nederland, met [benadeelde 2] (geboren op [geboortedag 3] 1996), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 2], hebbende verdachte (telkens) - zijn, verdachtes, vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [benadeelde 2] geduwd en/of gebracht, en/of - de vagina en/of de schaamstreek van die [benadeelde 2] betast;
2. subsidiairhij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2000 tot en met 31 december 2005 in de gemeente Zandvoort, in elk geval in Nederland, met [benadeelde 2] (geboren op [geboortedag 3] 1996), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het betasten van de vagina en/of de schaamstreek van die [benadeelde 2].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt ten aanzien van de bewijsvraag.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief (met uitzondering van het onderdeel “zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde 1] geduwd en/of gebracht” ) en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van de strafzaak in hoger beroep.
Vrijspraak
Standpunt verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de feiten integrale vrijspraak bepleit bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij onder meer gesteld dat het bewijsminimum niet wordt gehaald en dat de verklaringen van de aangeefsters als onvoldoende betrouwbaar moeten worden bestempeld.
Oordeel hof
Zedenzaken worden vaak gekenmerkt door het gegeven dat naast de verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte weinig of geen steunbewijs voorhanden is, omdat bij de ten laste gelegde handelingen alleen de verdachte en het slachtoffer aanwezig zijn geweest. Indien steunbewijs ontbreekt of door de rechter ontoereikend wordt bevonden, blijven de beschuldigende verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte als onverenigbaar tegenover elkaar staan. In dat geval kan geen bewezenverklaring volgen, omdat op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag baseren op de verklaring van één getuige. De verdachte kan dan niet worden veroordeeld.
De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van de verweten gedragingen. De verdachte heeft van meet af aan ten stelligste ontkend. Hiertegenover staan de andersluidende verklaringen van de aangeefsters. Zij zijn beiden uitgebreid gehoord door de politie en de rechter-commissaris. De gedurende deze verhoren afgelegde verklaringen vormen het enige rechtstreekse bewijs waaruit zou kunnen volgen dat de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden, zodat naar oordeel van het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaringen bijzondere voorzichtigheid dient te worden betracht.
Op de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de mate waarin de rechter zijn oordeel daarop kan gronden, kunnen vele factoren van invloed zijn, zoals een bewuste of onbewuste vooringenomenheid tegenover bepaalde personen en de emotionele toestand waarin de getuige zich bevond tijdens de waarneming of het afleggen van zijn verklaring. Ook kan van invloed zijn het tijdsverloop tussen het moment waarop de waarnemingen zijn gedaan en het moment waarop de getuige daarover voor het eerst een verklaring aflegt en of (en in welke mate) de herinnering van de getuige is vervaagd of is beïnvloed door informatie waarvan de getuige in de tussenliggende periode kennis heeft genomen.
In deze zaak deed [benadeelde 1] op 16 januari 2018 aangifte. Op dat moment was sprake van een tijdsverloop van ruim 12 tot bijna 18 jaar sinds de onder 1 ten laste gelegde feiten zich zouden hebben afgespeeld. Bij aangeefster [benadeelde 2] was op het moment van haar verklaring als getuige, 11 januari 2019, en op het moment van aangifte ruim een maand later, sprake van een tijdsverloop van ruim 13 tot 19 jaar. Aangeefster [benadeelde 1] legde vervolgens op 29 januari 2020, bijna twee jaar na haar aangifte, nogmaals een verklaring af, wat tot gevolg heeft dat de ervaringen waarover zij verklaarde nog verder in het verleden lagen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jeltes, mr. M.L.M. van der Voet en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 april 2024.
=
===
[…]