Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-05
ECLI:NL:GHAMS:2024:933
Strafrecht
Hoger beroep
2,697 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002356-23
datum uitspraak: 5 april 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 16 augustus 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-141300-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2024.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 30 januari 2023 te Castricum geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van (een) onder zijn hoede staande gevaarlijk(e) dier(en), te weten een hond van het ras Amerikaanse Bully ([naam 1]) en/of een hond van het ras Stafford en/of Amerikaanse Bully ([naam 2]), immers heeft hij, verdachte, die hond(en) onaangelijnd en/of zonder muilkorf los laten lopen en/of onvoldoende aangeroepen en/of weggetrokken, (mede) ten gevolge waarvan er onvoldoende controle en/of toezicht over die hond(en) mogelijk was, ten gevolge waarvan voornoemde honden een hond ([naam 3]) in de nek en/of poot hebben gebeten (met letsel ten gevolge).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.
Partiële vrijspraak ten aanzien van hond [naam 2]
Uit het dossier blijkt niet dat ten tijde van het tenlastegelegde feit voor hond [naam 2] een aanlijn- en/of muilkorfgebod van kracht was. Op het moment dat hond [naam 3] door de andere hond van de verdachte, [naam 1], werd aangevallen was [naam 2] aangelijnd. [naam 2] heeft zich losgerukt en eveneens [naam 3] aangevallen en gebeten. Niet is gebleken dat de verdachte hond [naam 2] onvoldoende heeft aangeroepen en/of weggetrokken, zoals is tenlastegelegd. Integendeel, de verdachte kwam juist in actie op het moment dat het misging. Het hof acht daarom niet bewezen dat de verdachte onvoldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van [naam 2], op de manier zoals tenlastegelegd, zodat de verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 30 januari 2023 te Castricum geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staande gevaarlijk dier, te weten een hond van het ras Amerikaanse Bully ([naam 1]), immers heeft hij, verdachte, die hond onaangelijnd en zonder muilkorf los laten lopen, ten gevolge waarvan er onvoldoende controle en toezicht over die hond mogelijk was, ten gevolge waarvan voornoemde hond een hond ([naam 3]) heeft gebeten met letsel ten gevolge.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
geen voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staande gevaarlijk dier.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
gedurende de proeftijd geen dieren zal houden van het type/ras: Amerikaanse Staffordshire Terrier- en Pitbullachtigen;
op geen enkele wijze zal optreden als houder van en/of op geen enkele wijze onder zijn hoede zal houden hond ‘[naam 2]’;
zal meewerken aan de controle op deze bijzondere voorwaarden bij huisbezoeken door de politie, Landelijke Inspectie Dierenbescherming, de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit en/of de gemeente waar de verdachte woonachtig is.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf zoals die door de kantonrechter is opgelegd.
De raadsvrouw heeft verzocht aan de verdachte geen houdverbod op te leggen voor honden van het ras Amerikaanse Staffordshire Terrier- en Pitbullachtigen, omdat de verdachte zijn hond(en) dan niet meer terug zal krijgen. Zij heeft bepleit eventueel de taakstraf fors te verhogen. Zij heeft hierbij gewezen op de in positieve zin veranderde persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onvoldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staande hond, die blijkens het dossier, dient te worden aangemerkt als een gevaarlijk dier. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij, hoewel hij wist dat voor zijn hond een aanlijn- en een muilkorfgebod gold en deze bij eerdere bijtincidenten betrokken was, zijn hond toch heeft laten loslopen waardoor zijn hond, samen met een andere onder de hoede van de verdachte staande hond, een andere hond heeft aangevallen en ernstig heeft verwond. Een dergelijk feit brengt naast pijn en letsel voor de aangevallen hond gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee voor de houder van de aangevallen hond, voor omstanders en ook voor andere hondenbezitters die hun hond aan het uitlaten zijn.
Het hof acht de door de kantonrechter opgelegde straf in beginsel passend en geboden.
Uit het verhandelde ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat de verdachte de afgelopen periode hard aan zichzelf heeft gewerkt en in die zin het positieve pad is ingeslagen. Ook zijn voornemen om anders om te gaan met honden en zich te houden aan voorschriften betreffende honden komt oprecht over.
Desondanks acht het hof het wel van belang om aan de verdachte een proeftijd met daaraan verbonden een houdverbod voor honden van het ras Amerikaanse Staffordshire Terrier- en Pitbullachtigen op te leggen, om de verdachte zo de ruimte te bieden om dit positieve pad verder te bewandelen en te bestendigen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 1 (één) jaar ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- geen dieren zal houden van het type/ras: Amerikaanse Staffordshire Terrier- en Pitbullachtigen;
- op geen enkele wijze zal optreden als houder van en/of op geen enkele wijze onder zijn hoede zal houden hond [naam 2];
- zal meewerken aan de controle op deze bijzondere voorwaarden bij huisbezoeken door de politie, Landelijke Inspectie Dierenbescherming, de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit en/of de gemeente waar de verdachte woonachtig is.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- hond [naam 1].
Gelast de teruggave aan [naam 4], zijnde degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- hond [naam 2].
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.S. Ludwig, mr. M.L.M. van der Voet en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 april 2024.