Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-11
ECLI:NL:GHAMS:2024:931
Strafrecht
Hoger beroep
767 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001088-22
datum uitspraak: 28 maart 2024
NIET VERSCHENEN
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 april 2022 in de strafzaak onder parketnummer
13-085966-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1991,
opgegeven postadres: [adres 1],
buitenlands adres: [adres 2].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal.
Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep
Door de advocaat-generaal is een aantal stukken overgelegd waaruit volgt dat een (vertaalde) dagvaarding op 14 februari 2024 is toegezonden naar het adres [adres 2]. Uit gegevens van de SKDB van voornoemde datum volgt dat de verdachte sinds 30 april 2019 in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven op het adres [adres 2].
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 8 april 2022 (pagina 2) volgt dat de verdachte een postadres in Nederland heeft opgegeven, te weten de [adres 1]. Op dit adres is op 21 februari 2024 de dagvaarding aangeboden. Op de akte staat dat de uitreiking niet is gelukt, omdat de geadresseerde niet (meer) op het vermelde adres woont. Niet is gebleken dat een afschrift van de dagvaarding naar het voornoemde adres is verzonden zoals artikel 36g, eerste lid, aanhef en onder b Sv vereist. Het hof stelt vast dat er geen omstandigheden zijn zoals bedoeld in artikel 36g, derde lid Sv, op grond waarvan verzending van een afschrift van de dagvaarding achterwege had kunnen blijven.
Uit hetgeen het hof hiervoor heeft vastgesteld, volgt dat de dagvaarding om in hoger beroep op de terechtzitting van heden te verschijnen niet op de bij de wet voorgeschreven wijze aan de verdachte is betekend. Nu de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, zal de dagvaarding op grond daarvan nietig te worden verklaard.
Dictum
Het hof:
Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P. den Otter, mr. B.A.A. Postma en mr. A. Boer, in tegenwoordigheid van
mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 maart 2024.
Mr. B.A.A. Postma en mr. A. Boer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.