Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-11-06
ECLI:NL:GHAMS:2024:3760
Strafrecht
Hoger beroep
11,058 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2024:3760 text/xml public 2026-04-17T14:49:21 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2024-11-06 23-001069-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2024:2561, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3760 text/html public 2026-04-17T14:47:37 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2024:3760 Gerechtshof Amsterdam , 06-11-2024 / 23-001069-24 Vrijspraak primair: poging doodslag. Veroordeling subsidiair: poging zware mishandeling. GVS 12 mnd wrv 6 mnd vw. Hogere straf dan in ea opgelegd, maar lager dan door de AG gevorderd. Aangepaste vordering bp in hb. afdeling strafrecht parketnummer: 23-001069-24 datum uitspraak: 6 november 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-173434-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal of meermalen op/tegen het het hoofd, in elk geval het lichaam heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet eenmaal of meermalen op/tegen het het hoofd, in elk geval het lichaam heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Singel (ter hoogte van nummer [nummer]) in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] en/of onbekend gebleven personen, welk geweld bestond uit het een of meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] te schoppen en/of te trappen (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag) en/of onbekend gebleven personen eenmaal of meermalen op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te trappen; meest subsidiair hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde partij] en/of onbekend gebleven personen heeft mishandeld door het een of meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] te schoppen en/of te trappen (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag) en/of onbekend gebleven personen eenmaal of meermalen op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te trappen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak primair tenlastegelegde Het hof is anders dan de advocaat-generaal van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het voor de poging tot doodslag vereiste opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht was op de dood van de aangeefster. Niet is komen vast te staan dat naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestond dat de aangeefster ten gevolge van het handelen van de verdachte had kunnen overlijden. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Bewijsoverweging subsidiair tenlastegelegde De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling, nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op het hoofd van de aangeefster heeft gestampt. Het hof overweegt als volgt. Van het tenlastegelegde incident zijn beelden gemaakt en in het dossier gevoegd. Die beelden zijn ter terechtzitting in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, getoond, waarnemingen zijn gedaan en de verdachte heeft zichzelf op die beelden herkend. Op die beelden is te zien dat de verdachte in gevecht is met een onbekend gebleven man. Verder is te zien dat de medeverdachte [medeverdachte] een slaande beweging maakt in de richting van de aangeefster, waarna zij omvalt. De verdachte kijkt om naar de klap die achter hem aan haar wordt gegeven. Vervolgens draait de verdachte zich om, tilt zijn rechterbeen op tot een hoek van circa 90 graden en trapt met zijn voet naar beneden in de richting van waar de aangeefster op de straat terecht moet zijn gekomen en waar zij blijkens verdachtes verklaring ligt, waarna hij een sprongetje maakt en vervolgens zijn weg vervolgt en omkijkt richting de aangeefster. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , beiden werkzaam als beveiliger bij de [bedrijf] , hebben het geweld van dichtbij waargenomen. [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte met volle kracht op de aangeefster heeft gestampt. [getuige 1] is bij de rechter-commissaris op 24 oktober 2023 uitvoerig gehoord en heeft verklaard dat hij niet heeft kunnen zien dat verdachtes voet op haar hoofd kwam, maar hij heeft gedetailleerd verklaard over de aard van de geweldshandeling van de verdachte en waar hij de aangeefster op de grond op haar buik heeft zien liggen. [getuige 1] heeft toegelicht dat de verdachte stampte in de richting van de plek waar de aangeefster met haar hoofd lag. De aangeefster was buiten bewustzijn en is in het ziekenhuis opgenomen. Naar aanleiding van het letsel van de aangeefster is een letselverklaring opgemaakt. Daaruit volgt dat op en in het hoofd van de aangeefster ernstig letsel is waargenomen. Het letsel bestaat uit trauma aan het hoofd met contusiehaarden (een kneuzing van de hersenen). Het uitwendige letsel bestaat uit een blauwe plek op het hoofd met een flinke zwelling. Op andere plekken op het lichaam is door de arts op 11 oktober 2023 niets aan letsel gerapporteerd, dat volgt evenmin uit het ingetekende letsel (dossierpagina 22) en ook overigens blijkt niet dat op andere plekken van het lichaam sprake zou zijn geweest van letsel. Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de geweldshandeling van de verdachte was gericht tegen het hoofd van de aangeefster en dat de aangeefster als gevolg van dit handelen letsel heeft opgelopen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan de gedraging van de verdachte – het eenmaal met geschoeide voet met kracht op/tegen het hoofd van aangeefster trappen terwijl zij op de grond lag – worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van -minst genomen- zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard en dat zijn opzet in voorwaardelijke zin daarop gericht is geweest. Van aanwijzingen voor het tegendeel is het hof niet gebleken.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2024:3760 text/xml public 2026-04-17T14:49:21 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2024-11-06 23-001069-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2024:2561, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3760 text/html public 2026-04-17T14:47:37 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2024:3760 Gerechtshof Amsterdam , 06-11-2024 / 23-001069-24 Vrijspraak primair: poging doodslag. Veroordeling subsidiair: poging zware mishandeling. GVS 12 mnd wrv 6 mnd vw. Hogere straf dan in ea opgelegd, maar lager dan door de AG gevorderd. Aangepaste vordering bp in hb. afdeling strafrecht parketnummer: 23-001069-24 datum uitspraak: 6 november 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-173434-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal of meermalen op/tegen het het hoofd, in elk geval het lichaam heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiairhij op of omstreeks 11 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet eenmaal of meermalen op/tegen het het hoofd, in elk geval het lichaam heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiairhij op of omstreeks 11 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Singel (ter hoogte van nummer [nummer]) in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] en/of onbekend gebleven personen, welk geweld bestond uit het een of meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] te schoppen en/of te trappen (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag) en/of onbekend gebleven personen eenmaal of meermalen op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te trappen; meest subsidiairhij op of omstreeks 11 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde partij] en/of onbekend gebleven personen heeft mishandeld door het een of meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] te schoppen en/of te trappen (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag) en/of onbekend gebleven personen eenmaal of meermalen op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te trappen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak primair tenlastegelegde Het hof is anders dan de advocaat-generaal van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het voor de poging tot doodslag vereiste opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht was op de dood van de aangeefster. Niet is komen vast te staan dat naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestond dat de aangeefster ten gevolge van het handelen van de verdachte had kunnen overlijden. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Bewijsoverweging subsidiair tenlastegelegde De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling, nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op het hoofd van de aangeefster heeft gestampt. Het hof overweegt als volgt. Van het tenlastegelegde incident zijn beelden gemaakt en in het dossier gevoegd. Die beelden zijn ter terechtzitting in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, getoond, waarnemingen zijn gedaan en de verdachte heeft zichzelf op die beelden herkend. Op die beelden is te zien dat de verdachte in gevecht is met een onbekend gebleven man. Verder is te zien dat de medeverdachte [medeverdachte] een slaande beweging maakt in de richting van de aangeefster, waarna zij omvalt. De verdachte kijkt om naar de klap die achter hem aan haar wordt gegeven. Vervolgens draait de verdachte zich om, tilt zijn rechterbeen op tot een hoek van circa 90 graden en trapt met zijn voet naar beneden in de richting van waar de aangeefster op de straat terecht moet zijn gekomen en waar zij blijkens verdachtes verklaring ligt, waarna hij een sprongetje maakt en vervolgens zijn weg vervolgt en omkijkt richting de aangeefster. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , beiden werkzaam als beveiliger bij de [bedrijf] , hebben het geweld van dichtbij waargenomen. [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte met volle kracht op de aangeefster heeft gestampt. [getuige 1] is bij de rechter-commissaris op 24 oktober 2023 uitvoerig gehoord en heeft verklaard dat hij niet heeft kunnen zien dat verdachtes voet op haar hoofd kwam, maar hij heeft gedetailleerd verklaard over de aard van de geweldshandeling van de verdachte en waar hij de aangeefster op de grond op haar buik heeft zien liggen. [getuige 1] heeft toegelicht dat de verdachte stampte in de richting van de plek waar de aangeefster met haar hoofd lag. De aangeefster was buiten bewustzijn en is in het ziekenhuis opgenomen. Naar aanleiding van het letsel van de aangeefster is een letselverklaring opgemaakt. Daaruit volgt dat op en in het hoofd van de aangeefster ernstig letsel is waargenomen. Het letsel bestaat uit trauma aan het hoofd met contusiehaarden (een kneuzing van de hersenen). Het uitwendige letsel bestaat uit een blauwe plek op het hoofd met een flinke zwelling. Op andere plekken op het lichaam is door de arts op 11 oktober 2023 niets aan letsel gerapporteerd, dat volgt evenmin uit het ingetekende letsel (dossierpagina 22) en ook overigens blijkt niet dat op andere plekken van het lichaam sprake zou zijn geweest van letsel. Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de geweldshandeling van de verdachte was gericht tegen het hoofd van de aangeefster en dat de aangeefster als gevolg van dit handelen letsel heeft opgelopen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan de gedraging van de verdachte – het eenmaal met geschoeide voet met kracht op/tegen het hoofd van aangeefster trappen terwijl zij op de grond lag – worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van -minst genomen- zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard en dat zijn opzet in voorwaardelijke zin daarop gericht is geweest. Van aanwijzingen voor het tegendeel is het hof niet gebleken.
Volledig
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij zich niet kan herinneren dat hij de aangeefster heeft getrapt, terwijl hij ook heeft verklaard dat hij de aangeefster niet op haar hoofd of op haar lichaam heeft getrapt en haar niet heeft aangeraakt, schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de aangeefster zeker ‘de trap’ heeft gegeven en het hof ziet geen reden om aan de juistheid van die verslaglegging en verklaring te twijfelen. Bovendien is laatstgenoemde verklaring in lijn met de eerdere verklaring van de verdachte bij de politie toen hij met beelden werd geconfronteerd en vindt die verklaring steun in de overige bewijsmiddelen. Het sprongetje dat op de beelden te zien is, laat zich zoals besproken ter terechtzitting in hoger beroep juist goed verklaren doordat het rechterbeen in de beweging naar beneden hard iets onder zijn voet geraakt heeft en vandaaruit dus niet met links doorstapt maar eerst met rechts nog wat omhoog komt om vervolgens zonder vallen de eigen weg te vervolgen. Het hof acht aldus de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 11 juli 2023 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet eenmaal op/tegen het hoofd heeft getrapt terwijl [benadeelde partij] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. De bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde levert op: poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor de in eerste aanleg eveneens bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van voorarrest. De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring van het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde zou komen, verzocht om een gevangenisstraf op te leggen waarin het onvoorwaardelijk deel de duur van het reeds ondergane voorarrest niet overstijgt, eventueel met een voorwaardelijk deel en dan met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door op het hoofd van het slachtoffer te trappen. Het slachtoffer is met een kneuzing van de hersenen in het ziekenhuis opgenomen en het is niet aan de verdachte te danken dat het slachtoffer niet nog zwaarder gewond is geraakt. Hij heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het toegepaste geweld heeft een grote impact op het slachtoffer gehad en nog steeds, zoals blijkt uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding en de verklaring die namens het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep is voorgedragen. Het geweldsincident heeft plaatsgevonden in de buurt van het werk van het slachtoffer en ook dat bemoeilijkt de hervatting in het werk. Bovendien is zij nog niet in staat haar toenmalige functie uit te voeren. Zowel fysiek als mentaal ervaart het slachtoffer nog steeds de gevolgen van het geweld dat haar die nacht is overkomen. Omdat het geweldsincident heeft plaatsgevonden op de openbare weg in het centrum van Amsterdam, gelegen bij een drukbezochte uitgaansgelegenheid, zijn ook voorbijgangers ongevraagd geconfronteerd met deze hevige geweldsuitbarsting. Het kan niet anders dan dat dit heftige en zinloze geweld bij getuigen een enorme indruk heeft achtergelaten en mogelijk ook gevoelens van onveiligheid heeft aangewakkerd. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 oktober 2024 is hij eerder ter zake van geweldsdelicten onherroepelijk veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen, hetgeen in zijn nadeel weegt. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden onderhavig feit te begaan. Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en in het licht van de recidive is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf van substantiële duur. Het hof zal een gedeelte van die straf in voorwaardelijke vorm opleggen. Daarmee wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Het hof ziet, in aanmerking genomen het meest recente reclasseringsrapport van 3 maart 2024, geen aanleiding tot het opleggen van bijzondere voorwaarden. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Deze straf is hoger dan in eerste aanleg is opgelegd, nu de in eerste aanleg opgelegde straf naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van het feit. Omdat het hof een minder zwaar feit bewezen acht dan de advocaat-generaal in de vordering heeft betrokken, valt de straf lager uit dan is gevorderd. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 27.386,27, bestaande uit € 7.386,27 aan materiële schade, € 10.000,00 aan immateriële schade en € 10.000,00 aan toekomstschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen een bedrag van € 10.026,36, bestaande uit € 2.526,39 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering aangepast tot een bedrag van € 12.526,39 en als volgt nader toegelicht: - ten aanzien van de materiële schade: de vordering wordt gehandhaafd tot het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 2.526,39. Het overige komt te vervallen. De aangepaste vordering is opgebouwd uit de navolgende posten: o € 35,00 daggeldvergoeding voor het ziekenhuis; o € 1.078,00 mantelzorg/huishoudelijke hulp; o € 352,00 (huishoudelijke) hulp vanaf week 36/2023; o € 368,00 (huishoudelijke) hulp vanaf week 1/2024; o € 60,50 kaakfysiotherapie d.d. 03-11-2023 o € 60,50 kaakfysiotherapie d.d. 22-12-2023 o € 385,00 eigen risico zorgverzekering; o € 107,39 reiskosten; o € 80,00 abonnementskosten sportschool voor één maand. ten aanzien van de immateriële schade: de vordering wordt gehandhaafd voor het oorspronkelijke bedrag van € 10.000,00. de stelpost toekomstschade komt te vervallen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de aangepaste vordering. De raadsman heeft primair verzocht de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak, af te wijzen.
Volledig
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij zich niet kan herinneren dat hij de aangeefster heeft getrapt, terwijl hij ook heeft verklaard dat hij de aangeefster niet op haar hoofd of op haar lichaam heeft getrapt en haar niet heeft aangeraakt, schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de aangeefster zeker ‘de trap’ heeft gegeven en het hof ziet geen reden om aan de juistheid van die verslaglegging en verklaring te twijfelen. Bovendien is laatstgenoemde verklaring in lijn met de eerdere verklaring van de verdachte bij de politie toen hij met beelden werd geconfronteerd en vindt die verklaring steun in de overige bewijsmiddelen. Het sprongetje dat op de beelden te zien is, laat zich zoals besproken ter terechtzitting in hoger beroep juist goed verklaren doordat het rechterbeen in de beweging naar beneden hard iets onder zijn voet geraakt heeft en vandaaruit dus niet met links doorstapt maar eerst met rechts nog wat omhoog komt om vervolgens zonder vallen de eigen weg te vervolgen. Het hof acht aldus de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 11 juli 2023 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet eenmaal op/tegen het hoofd heeft getrapt terwijl [benadeelde partij] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. De bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde levert op: poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor de in eerste aanleg eveneens bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van voorarrest. De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring van het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde zou komen, verzocht om een gevangenisstraf op te leggen waarin het onvoorwaardelijk deel de duur van het reeds ondergane voorarrest niet overstijgt, eventueel met een voorwaardelijk deel en dan met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door op het hoofd van het slachtoffer te trappen. Het slachtoffer is met een kneuzing van de hersenen in het ziekenhuis opgenomen en het is niet aan de verdachte te danken dat het slachtoffer niet nog zwaarder gewond is geraakt. Hij heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het toegepaste geweld heeft een grote impact op het slachtoffer gehad en nog steeds, zoals blijkt uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding en de verklaring die namens het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep is voorgedragen. Het geweldsincident heeft plaatsgevonden in de buurt van het werk van het slachtoffer en ook dat bemoeilijkt de hervatting in het werk. Bovendien is zij nog niet in staat haar toenmalige functie uit te voeren. Zowel fysiek als mentaal ervaart het slachtoffer nog steeds de gevolgen van het geweld dat haar die nacht is overkomen. Omdat het geweldsincident heeft plaatsgevonden op de openbare weg in het centrum van Amsterdam, gelegen bij een drukbezochte uitgaansgelegenheid, zijn ook voorbijgangers ongevraagd geconfronteerd met deze hevige geweldsuitbarsting. Het kan niet anders dan dat dit heftige en zinloze geweld bij getuigen een enorme indruk heeft achtergelaten en mogelijk ook gevoelens van onveiligheid heeft aangewakkerd. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 oktober 2024 is hij eerder ter zake van geweldsdelicten onherroepelijk veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen, hetgeen in zijn nadeel weegt. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden onderhavig feit te begaan. Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en in het licht van de recidive is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf van substantiële duur. Het hof zal een gedeelte van die straf in voorwaardelijke vorm opleggen. Daarmee wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Het hof ziet, in aanmerking genomen het meest recente reclasseringsrapport van 3 maart 2024, geen aanleiding tot het opleggen van bijzondere voorwaarden. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Deze straf is hoger dan in eerste aanleg is opgelegd, nu de in eerste aanleg opgelegde straf naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van het feit. Omdat het hof een minder zwaar feit bewezen acht dan de advocaat-generaal in de vordering heeft betrokken, valt de straf lager uit dan is gevorderd. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 27.386,27, bestaande uit € 7.386,27 aan materiële schade, € 10.000,00 aan immateriële schade en € 10.000,00 aan toekomstschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen een bedrag van € 10.026,36, bestaande uit € 2.526,39 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering aangepast tot een bedrag van € 12.526,39 en als volgt nader toegelicht: - ten aanzien van de materiële schade: de vordering wordt gehandhaafd tot het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 2.526,39. Het overige komt te vervallen. De aangepaste vordering is opgebouwd uit de navolgende posten: o € 35,00 daggeldvergoeding voor het ziekenhuis; o € 1.078,00 mantelzorg/huishoudelijke hulp; o € 352,00 (huishoudelijke) hulp vanaf week 36/2023; o € 368,00 (huishoudelijke) hulp vanaf week 1/2024; o € 60,50 kaakfysiotherapie d.d. 03-11-2023 o € 60,50 kaakfysiotherapie d.d. 22-12-2023 o € 385,00 eigen risico zorgverzekering; o € 107,39 reiskosten; o € 80,00 abonnementskosten sportschool voor één maand. ten aanzien van de immateriële schade: de vordering wordt gehandhaafd voor het oorspronkelijke bedrag van € 10.000,00. de stelpost toekomstschade komt te vervallen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de aangepaste vordering. De raadsman heeft primair verzocht de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak, af te wijzen.
Volledig
Subsidiair heeft hij verzocht om de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu deze schade niet eenvoudig is vast te stellen. Het hof overweegt als volgt. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.526,39. De vordering is niet inhoudelijk betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Immateriële schade Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien deze ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in de eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. De benadeelde heeft als gevolg van het geweld ernstig lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenkneuzing. Daarnaast is het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de gevolgen van het incident voor het slachtoffer, van oordeel dat de benadeelde op andere wijze in de persoon is aangetast. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan op het dagelijks leven van de benadeelde, zoals die blijken uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding en de spreekrechtverklaring, is het hof van oordeel dat sprake is van geleden immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof zal de omvang van de immateriële schade, waarbij is gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd, naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 7.500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. Hetgeen ter compensatie van immateriële schade meer is gevorderd gaat de grenzen van billijkheid te buiten, zodat de vordering voor dat deel zal worden afgewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.026,39 (tienduizend zesentwintig euro en negenendertig cent) bestaande uit € 2.526,39 (tweeduizend vijfhonderdzesentwintig euro en negenendertig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.026,39 (tienduizend zesentwintig euro en negenendertig cent) bestaande uit € 2.526,39 (tweeduizend vijfhonderdzesentwintig euro en negenendertig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 11 juli 2023. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. E. Mijnsberge en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2024. Mr. E. Mijnsberge en mr. B.A.A. Postma zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
[…] […]
VOLLEDIG
=
[…] […]