Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2024-11-26
ECLI:NL:GHAMS:2024:3747
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001909-22 datum uitspraak: 26 november 2024 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-052425-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 oktober 2024, 21 oktober 2024 en 13 november 2024. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna: advocaat-generaal) en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 28 maart 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk niet heeft voldaan aan een opdracht krachtens artikel 175 gemeentewet, te weten een (nood)bevel van de (loco)burgemeester, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, gegeven door of namens de Burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met uitoefening van enig toezicht belast), immers heeft hij, verdachte toen en aldaar zich niet (op eerste vordering) verwijderd van het Museumplein en/of de omgeving van het Museumplein, te weten onder andere het Museumplein nadat dit was gevorderd door de politie, terwijl voornoemde opdracht inhield dat hij, verdachte, zich moest verwijderen van het Museumplein en/of haar omgeving. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – anders dan de politierechter – niet tot een bewezenverklaring komt.. Standpunten Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft betoogd dat het tenlastegelegde bewezen dient te worden verklaard, dat dit een strafbaar feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is. Voorts heeft zij gerekwireerd tot oplegging van een geldboete van € 250,- subsidiair vijf dagen hechtenis. Standpunt van de verdachte In het kader van de verdediging is onder meer betoogd dat het noodbevel van de locoburgemeester van 28 maart 2021 onrechtmatig is en dat de verdachte daarom dient te worden vrijgesproken. Daarnaast is verweer gevoerd ten aanzien van de overige te beantwoorden vragen van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Overwegingen van het hof Inleidend De zaak van de verdachte maakt deel uit van ongeveer 70 strafzaken die in hoger beroep gelijktijdig zijn behandeld. De verdachte was betrokken bij een bijeenkomst die werd gehouden op 28 maart 2021 op het Museumplein in Amsterdam. Tijdens deze bijeenkomst werd (ook) geprotesteerd tegen de coronamaatregelen van de regering. De tenlastelegging luidt in al die strafzaken dat de verdachte op die dag het noodbevel van de locoburgemeester om zich van het plein te verwijderen niet heeft opgevolgd. Sinds maart 2020 was Nederland steeds meer in de greep gekomen van de coronapandemie. De context van deze strafzaak wordt mede bepaald door de maatregelen die zijn getroffen om die pandemie het hoofd te bieden, zoals van toepassing op de pleegdatum van het feit. In maart 2021 nam het aantal besmettingen toe. Een derde golf besmettingen werd zichtbaar. De zogeheten “harde” lockdown, ingegaan op 15 december 2020, werd op enkele onderdelen in beperkte mate in de daarop gevolgde maanden versoepeld. Maar er golden nog veel ingrijpende en beperkende maatregelen. In januari 2021 werd gestart met vaccinaties. Het wettelijk kader voor de geldende maatregelen werd gevormd door de op 1 december 2020 in werking getreden Tijdelijke wet maatregelen covid-19, waarmee de Wet publieke gezondheid werd aangevuld. Om het coronavirus te bestrijden waren aanvankelijk maatregelen in noodverordeningen vastgeleg Deze verwevenheid van protest tegen de maatregelen en de intentie tot overtreding ervan roept ook de vraag op of elke deelnemer afzonderlijk eigenlijk wel moet worden aangemerkt als deelnemer aan een demonstratie die onder het bereik van de grondwettelijke en internationaalrechtelijke waarborgen valt. Maar het hof stelt vast dat zowel de advocaat-generaal als de verdachte, in navolging van de locoburgemeester, in deze strafzaak ervan is uitgegaan dat het om een vreedzame demonstratie ging. Dat brengt met zich dat, mede gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, voor de beoordeling van de tenlastelegging in het midden kan blijven in welke mate voor de verdachte het accent wat betreft intentie en feitelijk handelen heeft gelegen op deelname aan een demonstratie. Tegen deze achtergrond wil het hof evenwel niet onvermeld laten dat het minst genomen merkwaardig is dat de verdachte erover heeft geklaagd dat de politie bij het ingrijpen geen rekening heeft gehouden met de geldende maatregelen, waaronder de regel om anderhalve meter afstand te bewaren. Vrijspraak Rechtmatigheid noodbevel Eén van de voorwaarden om tot bewezenverklaring van het misdrijf van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te komen is dat het gegeven ambtelijk bevel rechtmatig is. Daarbij gaat het onder meer om de aanwezigheid van een wettelijke grondslag en een toereikende feitelijke onderbouwing. Voorts moet het bevel ook voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Wet openbare manifestaties (Wom) Onderdeel van de gevoerde verweren is de stelling dat een demonstratie eerst door de burgemeester moet zijn beëindigd door middel van een besluit op de voet van artikel 7 Wom. Pas enige tijd daarna (waarbij in het midden is gebleven welke omstandigheden een volgende stap zouden rechtvaardigen en welk tijdsverloop daarmee gemoeid zou mogen zijn) zou de burgemeester een noodbevel mogen geven. Het hof overweegt als volgt. De Wom regelt dat gemeenten bij verordening regels mogen stellen ter regulering van betogingen. Zo kan voor bepaalde gevallen worden bepaald dat een voorafgaande kennisgeving vereist is (artikel 4). Op grond van artikel 5 is de burgemeester bevoegd om voorafgaand aan de betoging onder meer voorschriften en/of beperkingen te stellen. Deze bevoegdheid kan blijkens artikel 2 slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Artikel 6 geeft de burgemeester de bevoegdheid om dit tijdens de betoging te doen. In artikel 7 is de burgemeester de bevoegdheid gegeven om de betoging te doen beëindigen. Het luidt als volgt. De burgemeester kan aan degenen die een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging houden of daaraan deelnemen opdracht geven deze terstond te beëindigen en uiteen te gaan, indien: a. de vereiste kennisgeving niet is gedaan, of een verbod is gegeven; b. in strijd wordt gehandeld met een voorschrift, beperking of aanwijzing; c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert. Overtreding van een opdracht van de burgemeester is in artikel 11 van de wet als overtreding aangemerkt en met straf bedreigd. Overtreding van een dergelijke opdracht mag, gelet op deze systematiek, alleen worden vervolgd op de voet van artikel 11 Wom en niet wegens overtreding van artikel 184 Sr. Terzijde zij opgemerkt dat bij de verdediging het misverstand lijkt te bestaan dat artikel 11 Wom als “lex specialis” in absolute zin in de weg zou staan aan vervolging wegens het niet opvolgen van een ambtelijk bevel. Die opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Als een bevoegdelijk gegeven opdracht of bevel op een andere wettelijke regeling is gebaseerd dan artikel 7 Wom staat de weg van vervolging wegens overtreding van artikel 184 Sr wel degelijk open. Wettelijke grondslag van het noodbevel De bevoegdheid die de locoburgemeester (als plaatsvervanger van de burgemeester op de voet van artikel 77 Gem Dit sluit aan bij hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de bevoegdheid van artikel 175 Gemeentewet. Reeds in het karakter van de bevoegdheid ligt besloten dat inzet ervan niet het resultaat is van rustig afwachten. Evenmin kan worden geconcludeerd dat toepassing steeds plaatsvindt na evaluatie van de inzet van minder ingrijpende bevoegdheden. Het gaat om de vraag of “normale bevoegdheden” ontoereikend zijn of zullen zijn; niet om de vraag of die bevoegdheden ontoereikend zijn geweest. Opmerking verdient ook dat het verschil tussen een artikel 7 Wom-besluit en een noodbevel anderszins moet worden gerelativeerd. Ter handhaving van beide besluiten kan de politie op vergelijkbare wijze ingrijpen. In beide gevallen is op grond van de artikelen 3 en 7, lid 1, Politiewet 2012 de toepassing van geweld toegestaan als gegeven opdrachten of gedane vorderingen niet worden opgevolgd en kunnen personen worden aangehouden en vervolgd. Het kan aan de verdachte worden toegegeven dat het bij een ingestelde vervolging in het eerste geval om een overtreding en in het tweede geval om een misdrijf gaat. Afhankelijk van aard en zwaarte van een eventuele sanctie kan echter pas na oplegging daarvan beoordeeld worden of dit meer dan slechts een gradueel verschil oplevert. Aan een beoordeling hiervan zal het hof – gelet op hetgeen hierna wordt overwogen – evenwel niet toekomen. Toetsingskader voor de rechter Aan het besluit waarbij een noodbevoegdheid wordt ingezet dienen stringente, in de Algemene wet bestuursrecht opgenomen, eisen te worden gesteld. De burgemeester dient het noodbevel te voorzien van een draagkrachtige motivering en er moet, indien ook maar enigszins mogelijk, een zorgvuldige voorbereiding aan vooraf zijn gegaan. Ook het resultaat van in dat verband gevoerd overleg met justitiële autoriteiten, waarbij informatie is gedeeld en gewogen, kan erbij worden betrokken. Vanzelfsprekend dient het bevel, zoals reeds vermeld, te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. En met name in het geval er (mogelijk) inbreuk wordt gemaakt op grondrechten van hen tegen wie het bevel is gericht, kan de gerechtvaardigdheid van het bevel mede steunen op de positieve verplichtingen jegens derden die ingevolge het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ook op de burgemeester rusten. Indien de bestuursrechter is geroepen om over een noodbevel te oordelen past hij een marginale toetsing toe. Het ligt voor de hand dat de strafrechter in het kader van de bewijsvraag in deze zaak, waar het gaat om de rechtmatigheid van het bevel, op dezelfde wijze te werk gaat. Immers, de leer van de formele rechtskracht brengt met zich dat, als de bestuursrechter zijn oordeel al heeft gegeven, dit voor de strafrechter het vertrekpunt dient te zijn en dit zich niet leent voor een nadere, strengere, beoordeling. De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat, als het om mogelijke inbreuken op grondrechten gaat, de bestuursrechter indringender toetst. Daarbij heeft de advocaat-generaal een uitleg gegeven aan de bestuursrechtspraak met betrekking tot artikel 175 Gemeentewet. In sommige gevallen is de toets inderdaad voller geweest. De heersende opvatting is evenwel altijd gebleven dat de rechter dient te beoordelen of de burgemeester in redelijkheid tot het noodbevel heeft kunnen komen. Ook dit blijkt uit de bronnen waarnaar de advocaat-generaal in haar requisitoir heeft verwezen. Dat geldt in het bijzonder voor de beantwoording van de vraag of voldaan is aan de wettelijke voorwaarden en aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Gang van zaken bij totstandkoming van het noodbevel van 28 maart 2021 (gedateerd 29 maart 2021) Uit de processtukken blijkt, voor zover relevant in het kader van deze beoordeling, het volgende over de situatie ter plaatse op het Museumplein en over de bestuurlijke en politiële reactie daarop. Het hof baseert zich hierbij op de processen-verbaal van bevindingen van [ve Gelet op artikel 175 Gemeentewet; Overwegende dat, • De politie over informatie beschikt dat op zondagmiddag 28 maart 2021 wederom een bijeenkomst of niet aangemelde manifestatie plaatsvindt op het Museumplein; • Deze oproepen op meerdere social media kanalen worden gedeeld en ‘geliket’; • Ondanks bovenstaande toch een demonstratie is gestart op het Museumplein op zondag 28 maart vanaf circa 13.30 uur; hiervan geen wettelijk verplichte kennisgeving is gedaan; • Dat de demonstranten zich, ondanks herhaaldelijke waarschuwingen, evident en opzettelijk onvoldoende houden aan de 1,5 meter afstand en daarmee in overtreding zijn van de Tijdelijke Wet Covid-19; • Dat een deel van de demonstranten zich provocerend opstellen tegenover de politie; • Dat de politie over informatie beschikt dat de initiatiefnemers, organisatoren en/of deelnemers van deze bijeenkomst dezelfde zijn als diegenen die betrokken waren bij de niet toegestane demonstratie op 17, 24 en 31 januari 2021 en 7, 14, 21 en 28 februari en 7, 14 en 21 maart op het Museumplein; • dat personen tijdens meerdere van de genoemde demonstraties de confrontatie aangingen met de politie en daarbij naast voorhanden zijnde zaken als trottoirstenen en fietsen ook daadwerkelijk slagwapens als een ploertendoder, stokken, zwaar vuurwerk en verstevigde vechthandschoenen tegen de politie hebben gebruikt; • Dat de politie ter plaatse constateert dat er naast passief verzet plegende groepen ook groepen aanwezig zijn die mogelijk uit zijn op een confrontatie; • dat er signalen zijn dat leden van zogenaamde ' Defend-groepen' vandaag bij de demonstratie zullen aansluiten en dat leden van dergelijke groepen bij eerdere vergelijkbare demonstraties voorwerpen als hierboven genoemd bij zich hadden; • dat binnen deze groepen leden van OMG's en harde kernsupporters bevinden van verschillende Nederlandse voetbalclubs; • Er daarom ernstige vrees voor wanordelijkheden en gevaar voor de volksgezondheid is ontstaan en ik om die reden op grond van artikel 7 WOM de demonstratie heb ontbonden en de demonstranten bij monde van de politie opdracht heb gegeven uiteen te gaan en de uiting te doen beëindigen; • De aanwezigen herhaaldelijke waarschuwingen (ook via social media) en vorderingen van de politie om de demonstratie te beëindigen uiteen te gaan negeren; • Dat deze herhaaldelijke vorderingen van de politie, door middel van aanspreken, omroepen en matrixborden, luid en duidelijk zichtbaar kenbaar zijn gemaakt aan de aanwezigen; dat het negeren hiervan wederom een strafbaar feit oplevert op grond van artikel 11 van de WOM; • Er sprake is van een veelvoud aan overtredingen en strafbare feiten en er ernstige vrees is dat de huidige situatie leidt tot gezondheidsrisico's en ernstige openbare ordeverstoringen, zoals gewelddadigheden tegen politie, waarbij de beschikbare juridische instrumenten onvoldoende toereikend zijn om een adequaat veiligheidsniveau te garanderen en verdere verstoringen van de openbare orde, en ernstige wanordelijkheden of de vrees daartoe, te voorkomen; • Het daarom noodzakelijk is om ter voorkoming en bestrijding van ernstige wanordelijkheden maatregelen te treffen in de vorm van een noodbevel; • Dit noodbevel is opvolgend aan de beëindiging is afgegeven op 28 maart 2021 aangezien gebleken is dat enkel ontbinden van de demonstratie niet leidt tot vertrek van de aanwezigen noch het overtreden van de coronamaatregelen, en gold tot dat het doel van het noodbevel bereikt was; Gelet op: Artikel 175, eerste lid van de Gemeentewet volgens welke bepaling in geval van oproerige beweging, van ernstige wanordelijkheden van rampen of zware ongevallen, dan wel ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de burgemeester bevoegd is alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. BEVEELT: Personen die op of nabij het Museumplein aanwezig zijn en die zich door kleding, uitrusting, meegevoerde voorwerpen of gedragingen manifesteren als (potentiele) d