Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-11-07
ECLI:NL:GHAMS:2024:3729
Strafrecht
Hoger beroep
5,206 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002588-22
datum uitspraak: 7 november 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-306552-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1976,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2024.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij en de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 10 november 2021 te Amsterdam aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse littekens in het gezicht, heeft toegebracht, door deze [benadeelde] meermaals, althans eenmaal, met een boksbeugel, althans een hard voorwerp, tegen zijn hoofd/gezicht te slaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 10 november 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] meermaals, althans eenmaal, met een boksbeugel, althans een hard
voorwerp, tegen zijn hoofd/gezicht heeft geslagen/gestompt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 10 november 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door meermaals, althans eenmaal, met een boksbeugel, althans een hard voorwerp, tegen voornoemde [benadeelde] zijn hoofd/gezicht te slaan/stompen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering en de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte tenlastegelegde primaire feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van (poging tot) zware mishandeling. Daartoe heeft zij onder andere aangevoerd dat het letsel van de aangever niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast heeft de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In dat verband heeft zij aangevoerd dat de verdachte bekent de aangever op enig moment te hebben geslagen, maar niet met een boksbeugel of een hard voorwerp. Het letsel past ook niet bij letsel dat wordt toegebracht door een boksbeugel.
Het hof overweegt als volgt.
Boksbeugel
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte op 10 november 2021 zijn oude woning, gelegen aan het [adres 2] , heeft bezocht. Aldaar heeft zich voor de toegangsdeur van de woning van de aangever een geweldsincident voorgedaan tussen de verdachte en de aangever. Op het moment dat de aangever de deur uitliep van zijn woning, werd hij vrijwel direct aangevallen door de verdachte en meermalen geslagen in zijn gezicht. Dee aangever heeft verklaard dat de verdachte daarbij een boksbeugel om zijn rechterhand had. De getuige [getuige] noemt bij de omschrijving van de man (het hof begrijpt: de verdachte) een boksbeugel en heeft verklaard vanuit haar positie door het raam een voorwerp van metaal dat op de vingers zit, specifiek bedoeld om mee te slaan, te hebben gezien. Dit wordt ondersteund door een beschrijving van camerabeelden. De verbalisant schrijft dat hij de verdachte herkent op de beelden en ziet dat de verdachte een boksbeugel in zijn hand houdt. Het hof heeft de betreffende beelden ter zitting getoond en dit heeft niet tot andere waarnemingen geleid. Het hof acht dus bewezen dat de verdachte de aangever meermalen met een boksbeugel heeft geslagen. Uit de letselverklaring en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, volgt dat de aangever hieraan meerdere, blijvende, littekens heeft overgehouden. De lezing van de verdachte, dat hij geen boksbeugel maar een soort lint dat aan de mouw van zijn jas was verbonden bij zijn hand had en dat een ring om zijn vinger het letsel moet hebben veroorzaakt, acht het hof gelet op het bovenstaande niet geloofwaardig.
Zwaar lichamelijk letsel
Het hof stelt voorop dat in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht is omschreven wat wordt verstaan onder zwaar lichamelijk letsel. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
Als gevolg van het slaan met de boksbeugel door de verdachte heeft de aangever letsel opgelopen in de vorm van meerdere ontsierende en prominent aanwezige littekens in het aangezicht. De aangever heeft deze littekens ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof getoond en het hof heeft waargenomen dat de littekens – te weten links van het linkeroog en (twee) boven de linker wenkbrauw – goed zichtbaar zijn. Deze littekenszijn blijvend aanwezig. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat dit letsel zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.
Opzet
Op basis van het bewijs, en mede gelet op wat daarover hiervoor is beschreven, stelt het hof vast dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van de aangever. De verdachte heeft de confrontatie met de aangever gezocht en hem vrijwel direct aangevallen met een boksbeugel zodra hij hier de kans voor zag. Hij heeft meerdere malen met een boksbeugel in het gezicht van de aangever geslagen. Door onder deze omstandigheden op deze manier te handelen kan naar het oordeel van het hof niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte wist dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat hij dus op dit gevolg vol opzet had.
Gelet op het voorgaande komt het hof tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 10 november 2021 te Amsterdam aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse littekens in het gezicht, heeft toegebracht, door deze [benadeelde] meermaals met een boksbeugel tegen zijn gezicht te slaan.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in de straat [adres 2] . Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.916,43 (tweeduizend negenhonderdzestien euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 416,43 (vierhonderdzestien euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.906,95 (tweeduizend negenhonderdzes euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 406,95 (vierhonderdzes euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.916,43 (tweeduizend negenhonderdzestien euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 416,43 (vierhonderdzestien euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 39 (negenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 november 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.S. Ludwig, mr. H.A. Stalenhoef en mr. R.A.J. Hübel, in tegenwoordigheid van
mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
7 november 2024.
Inleiding
Het hof overweegt hierover als volgt.
Voor een beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Van een dergelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.
Het scenario dat door de verdachte is geschetst, is – kort gezegd – dat hij als eerste werd aangevallen in de gang van het appartementencomplex en daarna heeft geslagen. Het hof volgt de lezing van aangever en acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Uit het bewijs volgt dat het slachtoffer juist plotseling en vrijwel direct na het openen van de deur door de verdachte werd aangevallen met een boksbeugel. Er was dus geen sprake van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf en maatregel
De politierechter heeft de verdachte voor poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel gevorderd, inhoudende een locatieverbod.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht – in het geval van een bewezenverklaring – een taakstraf aan de verdachte op te leggen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft de aangever voor zijn woning meerdere malen tegen zijn gezicht geslagen met een boksbeugel. Het slachtoffer is daarbij aan zijn hoofd gewond geraakt en heeft daaraan ontsierende en blijvende littekens overgehouden. Het slachtoffer wordt door dit letsel dagelijks aan het gewelddadige incident herinnerd. Door zo te handelen heeft de verdachte zonder reële of invoelbare aanleiding een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. De verdachte heeft gericht, met gebruikmaking van een wapen, gehandeld om de aangever pijn te doen en ernstig letsel toe te brengen. Het uitgeoefende geweld heeft niet alleen pijn en letsel veroorzaakt, maar heeft ook langdurig gevoelens van angst en onveiligheid bij de aangever teweeggebracht. Uit de slachtofferverklaring die door de advocaat van de aangever ter terechtzitting in hoger beroep is voorgedragen, blijkt dat de aangever tot op heden kampt met angst- en slaapproblemen en ook traumaklachten heeft als gevolg van het onderhavige feit. Ook wordt hij dagelijks geconfronteerd met littekens en huidverkleuring als hij in de spiegel kijkt en dat doet hem veel. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 oktober 2024 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van geweldsdelicten, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Bij de strafoplegging heeft het hof ook rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof heeft verder gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. In die oriëntatiepunten wordt voor zware mishandeling met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden als uitgangspunt genoemd. Die straf acht het hof op zichzelf passend en geboden.
Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. Daarom zal het hof een deel van die zeven maanden, te weten één maand, in voorwaardelijke vorm opleggen.
Het hof ziet daarnaast met de advocaat-generaal in het belang van het slachtoffer aanleiding om een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een locatieverbod voor het [adres 2] op te leggen. Om tevens aan de (praktische) belangen van de verdachte tegemoet te komen zal het hof dat locatieverbod in omvang beperkter omschrijven dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of personen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.822,95, waarvan € 822,95 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 2.535,00, waarvan € 535,00 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De politierechter heeft bepaald dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.535,00, waarvan € 535,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Voor het geval het feit wordt bewezenverklaard, heeft de raadsvrouw de materiële schade betwist en wat betreft de immateriële schade het hof verzocht een lager bedrag vast te stellen.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht tot een bedrag van € 416,43.
Schade jas en shirt
Het hof heeft de totale schade aan de jas en het shirt in redelijkheid geschat op een bedrag van € 125,00 (het gevorderde bedrag verminderd met 50%). Deze post zal voor het overige worden afgewezen.
Eigen risico 2021
Het hof sluit aan bij een zich in het dossier bevindende bijlage (p. 33 van de toelichting op de vordering) van 15 november 2021 van ‘Mijn [verzekering] ’, waarin aan de benadeelde partij kenbaar is gemaakt dat een bedrag van € 291,43 van zijn rekening wordt afgeschreven.