Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-10-17
ECLI:NL:GHAMS:2024:3724
Strafrecht
Hoger beroep
5,432 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000843-23
datum uitspraak: 17 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-314287-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primairhij op of omstreeks 28 september 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een (vuur)wapen een kogel heeft afgevuurd en/of heeft geschoten op en/of naar en/of in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiairhij op of omstreeks 28 september 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (vuur)wapen aan voornoemde [slachtoffer] te tonen en/of getoond te houden en/of op voornoemde [slachtoffer] te richten en/of gericht te houden en/of een kogel af te vuren en/of te schieten op en/of naar en/of in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] ;
2.hij op of omstreeks 28 september 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Crvena Zastava (CZ), type/model M70, kaliber 7,65mm Browning (synoniem .32 AUTO), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging
Ten aanzien van feit 1
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde poging tot moord bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe grotendeels aansluiting gevonden bij de overwegingen van de rechtbank. De verklaring van de verdachte in hoger beroep maakt haar standpunt niet anders.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel de poging tot moord als de poging tot doodslag. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat feit 1 enkel kan worden aangemerkt als een bedreiging. De verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet gehad op de dood van de aangever en evenmin is sprake van voorbedachte raad.
Het hof overweegt als volgt.
Geen voorbedachte raad
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord. Voor een bewezenverklaring van poging tot moord moet kunnen worden vastgesteld dat een verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Dat wil zeggen dat moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na de eerste confrontatie met de aangever het plein heeft verlaten. Vervolgens is de verdachte na ruim een kwartier teruggekomen. Aldaar is de verdachte opnieuw een woordenwisseling met de aangever gestart. Het hof stelt vast dat de verdachte niet onmiddellijk tot het gebruik van het vuurwapen is overgegaan en kan daarom niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte op het moment van schieten niet in een opwelling heeft gehandeld in reactie op de kort daaraan voorafgaande (hernieuwde) woordenwisseling.
Het hof acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde poging moord heeft begaan, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Poging tot doodslag
Wat het hof in elk geval wel kan vaststellen, is dat op 28 september 2021 een schietincident heeft plaatsgevonden op het Krimpertplein in Amsterdam. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg bij de rechtbank, erkend de schutter te zijn geweest. Hij heeft verklaard dat hij, al fietsend, een vuurwapen dat hij op dat moment in zijn zak had, met twee handen heeft doorgeladen en tijdens het rijden op die fiets vervolgens ‘iets’ boven het lichaam van de aangever heeft gericht, waarna hij onmiddellijk eenmaal heeft geschoten.
Het hof kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen wat de werkelijke bedoeling van verdachte was toen hij een kogel afvuurde in de richting van [slachtoffer] . Dit neemt niet weg dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Immers, door met het vuurwapen in één hand en rijdend op een fiets, van korte afstand en op een wijze zoals verdachte hiervoor heeft verklaard, en naar het oordeel van het hof daardoor ongecontroleerd, een kogel af te vuren in de richting van het slachtoffer, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door zijn handelen het leven zou kunnen laten.
Het standpunt van de raadsman, inhoudende dat het onder 1 tenlastegelegde dient te worden gekwalificeerd als een bedreiging, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 2
Uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 28 september 2021 een vuurwapen voorhanden heeft gehad. De deskundige heeft vastgesteld dat het gaat om een vuurwapen, zijnde een pistool, van categorie III, onder I van de Wet Wapens en Munitie.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primairhij op 28 september 2021 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op 28 september 2021 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Crvena Zastava (CZ), type/model M70, kaliber 7,65mm Browning (synoniem .32 AUTO), zijnde een pistool, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.
Conclusie
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (in de zin van artikel 38z Sr) passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Overschrijding redelijke termijn
Het hof stelt vast dat in eerste aanleg en in hoger beroep de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Het hof ziet geen aanleiding hieraan gevolgen te verbinden en zal volstaan met het constateren van de overschrijding. Er is sprake van een beperkte termijnoverschrijding die bovendien verband houdt met de gewijzigde proceshouding van de verdachte en met het verzoek van de verdediging om twee getuigen te horen.
Beslag
De hiernavolgende goederen zijn onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven:
STK Huls (omschrijving: PL1300-2021198933-G6103420);
1 STK Computer (navigatiesysteem) (omschrijving: PL1300-2021198933-G6105678, Bosch);
1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2021198933-G6181940, grijs, merk: Apple);
1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2021198933-G6181958, Apple);
1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2021198933-G6181965, Wit, merk: Apple).
Onttrekking aan het verkeer
Het hof beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven huls. Nu met betrekking tot dit voorwerp het onder feit 1 primair bewezenverklaarde is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
Het hof gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
1 STK Computer (navigatiesysteem) (omschrijving: PL1300-2021198933-G6105678, Bosch):
1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2021198933-G6181940, grijs, merk: Apple);
1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2021198933-G6181958, Apple);
1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2021198933-G6181965, Wit, merk: Apple).
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 38z, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Huls (omschrijving: PL1300-2021198933-G6103420).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Computer (navigatiesysteem) (omschrijving: PL1300-2021198933-G6105678, Bosch);
- 1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2021198933-G6181940, grijs, merk: Apple);
- 1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2021198933-G6181958, Apple);
- 1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2021198933-G6181965, Wit, merk: Apple).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. D.A.C. Koster en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van
mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 oktober 2024.
mr. P.K. van Riemsdijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf en maatregelen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair (poging moord) en onder 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkte maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair (poging moord) en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging.
De raadsman heeft verzocht zowel de tbs-maatregel als de artikel 38z-Sr maatregel niet op te leggen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat eerder nog, in het reclasseringsrapport van 25 januari 2022, bijzondere voorwaarden werden geadviseerd, waar de verdachte voor openstaat en waaraan hij wil meewerken.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in aanmerking genomen de inhoud van de adviezen en de rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door fietsend met een vuurwapen op korte afstand eenmaal in de richting van het slachtoffer te schieten, terwijl daar omstanders – waaronder kinderen – bij in de buurt waren. De verdachte heeft dit gedaan op klaarlichte dag. Door zijn handelen is een zeer bedreigende en risicovolle situatie gecreëerd voor het slachtoffer, maar ook voor de omstanders. Het incident had veel erger kunnen aflopen. Het slachtoffer of de omstanders hadden door het toedoen van de verdachte dodelijk letsel kunnen oplopen. Een feit als het onderhavige veroorzaakt onrust en versterkt de in de samenleving aanwezige gevoelens van onveiligheid en onbehagen. Dit geldt temeer nu de verdachte het feit heeft gepleegd op de openbare weg, in aanwezigheid van meerdere getuigen. De ervaring leert dat slachtoffers, als ook de omstanders van dergelijke gebeurtenissen (ernstige) psychische gevolgen kunnen ondervinden.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich, hetgeen ook blijkt uit het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Het ongecontroleerd voorhanden hebben en gebruik van vuurwapens moet dan ook krachtig worden bestreden.
Het hof is van oordeel dat op feiten als de onderhavige, met name de poging tot doodslag, niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van zijn strafblad van 23 september 2024, waaruit blijkt dat hij eerder wegens (gewelds)misdrijven is veroordeeld.
Het hof houdt rekening met de over de verdachte uitgebrachte rapporten van Reclassering Nederland van 26 september 2024, 9 februari 2023 en 31 augustus 2022. Daarnaast heeft het hof kennis genomen van het Psychologisch onderzoek (Pro Justitia) van 17 juni 2022.
De reclassering concludeert dat sprake is van een delictpatroon, waarbij vooral een zorgelijke ontwikkeling wordt geconstateerd als het gaat om de toename in ernst van de (verdenkingen van) strafbare feiten. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. De reclassering constateert instabiliteit op diverse leefgebieden, waardoor een zorgelijk beeld is ontstaan. Het leefgebied sociaal netwerk vormt een risicofactor. Door de Pro Justitia rapporteur (psycholoog) is vastgesteld dat sprake is van normale verstandelijke vermogens en van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De verdachte is iemand met twee gezichten. Hij lijkt dusdanig te zijn verhard dat een reclasseringstoezicht bij voorwaardelijke veroordeling met behandeling in een ambulant kader niet toereikend is om de complexe problematiek en het recidiverisico te beperken. Hij is niet leerbaar genoeg en het ontbreekt hem aan motivatie om daadwerkelijk te willen veranderen.
Geen tbs-maatregel met dwangverpleging
Het hof is niet overtuigd geraakt van de noodzaak van een behandeling in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging. In de over de verdachte uitgebrachte rapporten hebben de onderzoekers zich niet uitgelaten over een behandeladvies in de vorm van een tbs-maatregel. De enige handvatten die het hof heeft, is dat de psycholoog een antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft vastgesteld en dat vaststaat dat ten tijde van het delict een stoornis aanwezig was. Het hof kan op basis hiervan echter niet vaststellen dat de verdachte daarmee een zodanig gevaar voor de veiligheid van anderen vormt dat het daarom noodzakelijk is om een ingrijpende maatregel als tbs met dwangverpleging op te leggen. De vordering van de advocaat-generaal op dit punt wordt daarom ook niet gevolgd.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)
Het hof acht het daarentegen, evenals de rechtbank, wel noodzakelijk om de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen, zoals ook door de reclassering is geadviseerd. Hiermee kunnen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast worden na de gevangenisstraf. De reclassering acht deze maatregel noodzakelijk om de verdachte nog te blijven ondersteunen in de vorm van een langdurig reclasseringstoezicht na de gevangenisstraf en zijn mogelijke voorwaardelijke invrijheidstelling. Gelet op de meervoudige complexe problematiek van de verdachte in combinatie met zijn beperkte leerbaarheid vanwege de ontbrekende intrinsieke motivatie (voor behandeling) kan de artikel 38z-Sr maatregel in dit geval dienen als vangnet na detentie om het recidiverisico te beperken.
Nu het doel van de artikel 38z-Sr maatregel is om ernstige geweldsdelinquenten niet zonder behandeling terug te laten keren in de maatschappij, zal het hof deze maatregel opleggen. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer en op dit strafbare feit is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer gesteld.