Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-12-18
ECLI:NL:GHAMS:2024:3722
Bestuursrecht; Belastingrecht
Wraking
2,303 tokens
Dictum
inzake het op 3 december 2024 gedane verzoek namens
[verzoeker] ,
wonende te [plaats ] ,
hierna: verzoeker.
Procesverloop
1.1
In de procedure in de hoofdzaak tussen verzoeker en de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats ] , geregistreerd onder voormeld zaaknummer, heeft verzoeker bij e-mailbericht met bijlage van 3 december 2024 een verzoek tot wraking gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van mrs. M.J. Leijdekker, A.M. van Amsterdam, F.J.P. Haas en B.A. van Brummelen en de ‘tot de zaak BK-AMS 23/672 betrokken raadsheren’.
1.2
Mr. M.J. Leijdekker heeft op 5 december 2024 laten weten niet te berusten in het wrakingsverzoek en heeft een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven. Mrs. Van Amsterdam en Haas hebben eveneens een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven inhoudende dat zij geen bemoeienis met de zaak hebben gehad en alleen al om die reden het verzoek tot wraking geen doel treft. Mr. Van Brummelen heeft niet inhoudelijk gereageerd.
Feiten
2.1
De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in een zaak over een aanslag ‘vastrecht onderhoud’. De behandeling van de zaak stond gepland op 4 december 2024 bij de enkelvoudige belastingkamer van dit hof. Aan verzoeker was medegedeeld dat mr. M.J. Leijdekker de zaak ter zitting zou behandelen. Verzoeker heeft vóór de zitting brieven aan het hof gezonden, die mede zijn opgevat als verzoeken tot aanhouding van de zitting.
2.2.
Verzoeker heeft over de door hem ontvangen aanslagen “vastrecht onderhoud” voor de
jaren 2014 tot en met 2019 diverse procedures gevoerd bij de rechtbank, het gerechtshof
en de Hoge Raad.
2.3
In de onder 2.2. genoemde eerdere procedures heeft verzoeker meerdere verzoeken tot wraking ingediend. In de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2023:469, r.o. 3.7) is te lezen dat verzoeker op dat moment al twee keer eerder een verzoek tot wraking (zonder succes) heeft ingediend op min of meer dezelfde gronden. De gronden van dat wrakingsverzoek, vermeld in r.o. 3.4 van voornoemde beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam komen, al hoewel op punten anders geformuleerd, voor wat betreft de strekking overeen met het onderhavige wrakingsverzoek. Het hof begrijpt dat de conclusie van de wrakingsverzoeken van verzoeker telkens is zoals geformuleerd in het onderhavige wrakingsverzoek, te weten dat de rechters en raadsheren vooringenomen zijn, samenspannen met verweerder en feitelijk deelnemen aan ambtsmisdrijven begaan door verweerder die verzoeker “nepaanslagen grafrechten” heeft gestuurd.
De wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam heeft verzoeker een wrakingsverbod opgelegd. In een andere zaak van verzoeker – maar ook over hetzelfde onderwerp – heeft de wrakingskamer van dit hof een verzoek tot wraking afgewezen en is aan verzoeker een wrakingsverbod opgelegd (ECLI:NL:GHAMS:2023:2172). In die zaak heeft verzoeker eveneens aangevoerd dat er vermoedens zijn van samenspanning van het gerechtshof met verweerder en ook over (vermeende) ambtsmisdrijven, als gevolg van onwettig verzonden “nepaanslagen grafrechten”.
3Het wrakingsverzoek
Het wrakingsverzoek houdt – samengevat – het volgende in:
De nep-aanslag “grafrechten” is onwettig verzonden en geplaatst in de vervalste boeken en registers van de gemeente [plaats ] . De raadsheren zijn vooringenomen en spannen samen met de verweerder (het lokale bestuursorgaan) in het plegen van strafbare feiten, zoals (onder meer) fraude, valsheid in geschrifte en vervalsing van het rechterlijke registratieve systeem. Daarnaast heeft verzoeker gevraagd om schriftelijke inlichtingen in te winnen als bedoeld in artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het hof heeft dit ten onrechte niet gedaan en een zitting gelast, die zinloos is als de inlichtingen niet beschikbaar zijn.
Beoordeling
4.1.
Artikel 8:15 Awb houdt in dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak
behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.
4.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
Wrakingsverzoek mrs. Van Amsterdam, Haas en Van Brummelen
4.3.
Het wrakingsverzoek richt zich mede tegen de raadsheren Van Amsterdam, Haas en Van
Brummelen. Nu deze raadsheren geen onderdeel uitmaken van de zittingscombinatie die deze zaak op 4 december 2024 zou behandelen, kan verzoeker reeds daarom niet in het wrakingsverzoek tegen mrs. A.M. van Amsterdam, F.J.P. Haas en mr. B.A. van Brummelen worden ontvangen.
Dit geldt ook ten aanzien van het verzoek tot wraking van de ‘tot de zaak BK-AMS 23/672 betrokken raadsheren’. Deze raadsheren zijn niet aan te merken als rechters die de zaak behandelen, dat is slechts mr Leijdekker.
In zoverre wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
Wrakingsverzoek mr. Leijdekker
4.4
De wrakingskamer stelt vast dat de bezwaren van verzoeker deels betrekking hebben op de
inhoud van de hoofdzaak. Dit inhoudelijke bezwaar ziet niet op (de schijn van) vooringenomenheid en kan tijdens de zitting in de hoofdzaak worden ingebracht. In zoverre is er dus geen grond voor wraking.
4.5
Voor zover verzoeker zijn verzoek tot wraking ook gebaseerd heeft op de beslissing van
het hof om geen stukken op te vragen, wordt vastgesteld dat dit een procesbeslissing betreft. Uitgangspunt is dat processuele beslissingen geen grond vormen voor een wraking van de rechters die de beslissingen hebben gegeven. Alleen indien die beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de raadsheren jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Dat is hier niet aan de orde.
Voor zover het verzoek mede is gebaseerd op de weigering van de behandelend raadsheer om de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen geldt daarvoor hetzelfde; daarbij is meegewogen dat de toedeling van zaken niet door de behandelend raadsheer wordt gedaan.
Verzoeker heeft voor het overige geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht, waaruit de vooringenomenheid van de raadsheer of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid.
4.6
De wrakingskamer constateert dat sprake is van meerdere vergeefs gedane
wrakingsverzoeken in zaken die steeds zien op de jaarlijkse heffing van hetzelfde gemeentelijke recht met telkens nagenoeg dezelfde gronden tot wraking, die niet concreet zijn toegespitst op de behandelende raadsheer. Daarbij komt dat het verzoek tot wraking van mr. Leijdekker grotendeels een herhaling van de eerdere afgewezen verzoeken is. Het onderhavige wrakingsverzoek kan in dat licht naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook in redelijkheid niet anders worden verstaan dan als aanwending van de bevoegdheid tot wraking voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Nu sprake is van evident misbruik van recht zal de wrakingskamer op grond van artikel 4, tweede lid onder h, van het Wrakingsprotocol het wrakingsverzoek zonder zitting niet-ontvankelijk verklaren. Ook zal de wrakingskamer daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking met betrekking tot de zaak met nummer BK-AMS 23/672 niet in behandeling zal worden genomen.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de zaak met nummer BK-AMS 23/672
niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is genomen door mrs. S.M.M. Bordenga, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en E.M. de Stigter, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, ondertekend door de voorzitter mr. Bordenga en de griffier en is op 18 december 2024 in het openbaar uitgesproken.